zondag 17 december 2017

En de volgende 10

Aechterbóks paardentuig dat over het achterwerk wordt gelegd
Frotte klungelen, plare
Gelenkig lenig
Ge~lp mals
Geschieër gereedschap, (paarden)tuig
Gunne kant overkant
(alle) Hondsgezeike dingen  die (te) vaak gebeuren
Hortig gehaast
Huuët opstaande voorkant van kruiwagen
(Bìjje)kaaër (bijen)korf

vrijdag 1 december 2017

Eindelijk ....

‘t Heeft even geduurd, maar we weten allemaal wel hoe druk je het hebt als je gepensioneerd bent: uitslapen, krant lezen, koffie drinken, fietsen, tennissen, wandelen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar ik heb in de tussentijd wel weer een kleine zestig nieuwe oude woorden verzameld, en hier komen de eerste tien, de meeste aangeleverd door Jeu Stökers.

Aektes                  salamander
Aventatie             ontspanning
Bam, Bemke        boterham, kwart van een boterham
Bèkrat                  scheldwoord
Britje                    opstaande klep van een kar
Buutje                  klein teiltje
Doebdeksel         klein persoon
(unne) Fátse        vogel die niet wil broeden
Fimpe                  met vuur spelen
Fómpe                 roken


Wordt (hopelijk snel) vervolgd.

vrijdag 9 december 2016

En de uitdrukkingen

Óvver de lónge inhaleren
Hojje wah Iowa?           Houdoe!    Het beste    Blijf braaf. 
Nald en droad vaeme draad door oog van de naald steken
Wae 'n mager verke wil slachte meug ni te völ vore het resultaat hangt af van je handelwijze
Scheif hand koude, stijve handen
Unne kop wie unnen teurhamer niet moeder's mooiste
Wae 'n paerd achter de wage spant, dae haet 'n dówpaerd
De stómste bore hebbe de diekste petatte
Ge kunt unne nákse neet in de tes veule
D'n be~ste Pruus haet nog 'n pè~rd gestoale
Loat de bore ma dorse
Dát guf d'r gen
Toepe, zoe~pe en op de wiever kroe~pe
Pech gehad vandaag, twieë pé~rd kepot en vader
Emus de geit leije iemand zeggen waar het op staat, de waarheid zeggen
Maak ów ma niks in de bóks
Pis Greet St Margriet (in juli)
Alles hè~t 'n end, ma 'n woars hè~t d'r twië.
Krómme pissen ok, ma ge môt ze d'r noa halde.
Schöllekesaovend woensdagavond (schone schort)
Moek d'n biës, da vrét ie good
Zò krómp wie 'n hankholt behoorlijk krom
Gere prengel gierigaard
Moek aan de puët jeukaandoening bij paarden, boven de hoef


In 't gare hange organiseren
Geitepüet schoenen verwisseld

Alle 555 woorden op een rij



1
Aafsmaere
aftuigen
2
Aaftrekke
'n scheet laten
3
Aa~l
allemaal
4
Aalzelaeve
altijd
5
Aanhisse
ophitsen
6
Aling
heel
7
Amazuur
blaasvermogen
8
Ampersant
en passant, tegelijkertijd
9
Arig
vreemd, verdacht, raar
10
Babbeltje
snoepje
11
Bag
big
12
Baktand
kies
13
Bandele
hoepelen
14
Bo~m
bodem, achterwerk
15
Bats
bil
16
Begie~n
begijn, non
17
Begoavings
stuipen, toeval, vallende ziekte
18
Bels
België, Belgisch, Belgisch trekpaard
19
Bergemuuske
verstoppertje
20
Betoepe
oplichten, belazeren
21
Béie
bidden
22
Bieëstig
zeer, erg
23
Bleik
bleek, gazon
24
Blö~ken
walmen
25
Blutsen
kneuzen, stoten
26
Bó~ch
bed
27
Boebs
blut
28
Boekèl
boeman
29
Böke
huilen
30
Bóks
broek
31
Bokstevast
kinderspel
32
Bóttermelk
karnemelk
33
Boute
schijten
34
Bouwe/umbouwe
(om)ploegen
35
Brag
opgeschoten jongere, tiener
36
Brambaere
bramen
37
Broensig
bruinachtig
38
Buize
zuipen
39
Burries
twee balken aan een kar waar het paard tussen ingespannen wordt
40
Dabbe
met de handen/poten graven
41
Del ('n)
'n aantal
42
Dae~s
paardevlieg
43
Deem
speen van koe
44
Doeën beej
dichtbij
45
Doorslaag
vergiet
46
Dotsele, dotseltante
vergeetachtig zijn; vergeetachtig persoon
47
Draeger
bagagedrager
48
Drats
koffiedik
49
Drei
snel
50
Dreig
ondiep
51
Drek
onkruid
52
Dreksbak
afvalemmer
53
Driet
modder, vettige zooi
54
Droasbóks
enigszins lachwekkend figuur
55
Duchtig
flink
56
(neet) Duëge
(niet) deugen, (niet) in orde zijn
57
Duk
vaak, dikwijls
58
Dumpel
deuk
59
Efkes
even
60
Ae~k
azijn
61
Emus, immes
iemand
62
Ertsbaere
aardbeien
63
Aevel
hoe dan ook, sowieso
64
Evvel
evenwel
65
Falie (nákse)
blote kont
66
Feep (alde)
soort fluitje van stro, oude vrouw (niet erg eerbiedig)
67
Fiemel
tic, afwijking, hobby
68
Fiespernöle / fiespernöleke
?? geen idee
69
Finaal
helemaal
70
Finte
kuren, streken
71
Fintwater/Vintwater
wijwater
72
Flatse
zakken voor een examen, ondiep omploegen
73
Flet
anjer
74
Flie~s
tas, uier
75
Flimp, flint
aanmaakhoutje
76
Floetere
opscheppen
77
Foeës
loom, lamlendig, vadsig
78
Foepere
hupsen, ongedurig bewegen
79
Foe~tele
vals spelen, sjoemelen
80
Fossiene
takkenbos van wilgetenen (3 m lang)
81
Frunsele
kreuken, rimpelen
82
Gaaie
aanstaan, bevallen
83
Gaar neet
helemaal niet
84
Gans
helemaal
85
Garepaap
halve gare, libelle
86
Gas (unne)
groepje van 8 schoven rechtop gezet, een aantal
87
Gavel
hooivork
88
Gedeuns
gedoe
89
Gèle verf
geelzucht
90
Gelint
draadomheining wei
91
Gee~r
gierig
92
Gen erg hebbe in
niet in de gaten hebben
93
Ge~r
graag
94
Gerf
garf, bos graan
95
Ge~rt
vishengel
96
Gevre~t
gezicht
97
Gewae~re
begaan
98
Geye
wieden
99
Godmejaar
uitroep van ergernis, allejezus (of ziets)
100
Graaf
sloot
101
Grei
spul
102
Greize
mokken
103
Greke
sjachrijnen, zanikken
104
Greuzele
glimlachen, binnenpret hebben
105
Griezele
kiezeltuintje opharken
106
Groeëte kant
groep 2 van de kleuterschool
107
Gröts
trots
108
Gruts
goot
109
Gu~ns
ginds, 'n eind weg
110
Haffel
handvol
111
Haffele, gehaffel
onhandig plaren
112
Hankholt
lichtgebogen stammetje om geslacht varken aan op te hangen
113
Hanneke
soort dikke worst
114
Has
bijna, haast
115
Hemprok
onderhemd met korte mouwtjes
116
Hemelbieësje
lieveheersbeestje
117
Hesses/hasses
jakkes
118
Hets
hitte
119
Hieëp
hakbijl
120
Ho~of
tuin
121
Hoa~repluk
oud Lottums gebruik
122
Hojje
dag
123
Hómmele
onweren, donderen
124
Hörtje
(eier)rekje
125
Houwe
slaan
126
Hovèr, hovèrig
hovaardig, verwaand, groots, hoog in de bol
127
Hudsel
halster
128
Huiwage
langpotige spin
129
Hummele
stamelen, wauwelen
130
Huukskes
hurken
131
Huuske
wc
132
Illik
bunzing
133
Inkkater
eekhoorn
134
Inkketske
eekhoorntje
135
Intrint/untrint
bijna
136
Jasse
slaan
137
Jimmy schoon
eerste lage schoenen in de 30-er jaren
138
Joeks
lol, plezier
139
Joerts
huismus
140
Jöke
wiebelen, wippen
141
Ju
ho, stop
142
Juks
jeuk
143
Kaduuk
kapot, versleten, zwaar beschadigd
144
Kae~re
vegen
145
Kaffe
blaffen, hoesten
146
Kaldeschie~ter
koukleum
147
Kalde schóttel
aardappelsalade
148
Kamezöl
groot, lomp ding
149
Kampraad
tandwiel
150
Kanedas
Italiaanse populier
151
Koa~je
kaantjes
152
Kö~k
gazeuse
153
Kö~ke
boeren
154
Kappes
kool
155
Kepot
doodmoe
156
Kel
man
157
Kelderverke
pissebed
158
Kerboet
balkenbrij
159
Kerdie~ze
snoepen?
160
Kettere
hard rennen
161
Ketterschoon
gymschoenen
162
Kiebig
guitig
163
Kieps
pet
164
Kierke
big
165
Kietelstieën
afgeronde kiezelsteen
166
Kloar kómme (met elkaar)
goed met elkaar op kunnen schieten
167
Klats / kletske
hoeveelheid
168
Klatse, klaatse
slaan
169
Kleek / kleke
spuug, rochel / spugen
170
Klef
talud, helling
171
Kleine kant
groep 1, kleuterschool
172
Klender
kleiner
173
Klets (de)
Griep, verkoudheid. de klets weg krie~ge: ziek worden
174
Kleu~ch / kluchtig
lol / lollig
175
Klieëd / kledje
jurk / jurkje
176
Klómpenägelkes
kleine stalen spijkertjes
177
Klots, Klötskes
gekloofd brandhout
178
Kluntjeswek
suikerbrood
179
Knam, knats
helemaal
180
Knapkook
koek
181
Knei~e
kneden
182
Knets
slijk, natte sneeuw
183
Kneuzele
knoeien
184
Kniens
dwars, tegendraads
185
Knoaje
mopperen
186
Knoak
bot, onverschillig persoon
187
Knóddele
knoeien
188
Knoep(ert)
bult, knop, groot ding
189
Knoers
kraakbeen
190
Knoevele
knuffelen
191
Knómmel
slechte kwaliteit, rotzooi
192
Knozel
soort mug
193
Knure
hard werken
194
Knutsen, bv geknutst ei
deuken, ei met gedeukte schil
195
Kodde
korstjes in de ogen
196
Koekoeksspeej
hars
197
Koes
varken
198
Koetele
ruilen
199
Komkommer
augurk
200
Kompeneej
gezelschap
201
Koppien
hoofdpijn
202
Krab
sleuf, spleet (háj ik ok ma zonne krab)
203
Krangs, unne krangse
dwars, dwarsligger
204
Krangs um
binnenste buiten
205
Kratse
krabben, jeuken
206
Krebbele
krassen op papier
207
Krek (good)
net (goed)
208
Kriemel(e)
jeuk(en), kriebel(en)
209
Kroaze
hard rijden, scheuren, hard werken
210
Kroche
hoesten
211
Kroe~t
stroop
212
Kroe~tpárs
stroopfabriek van Van Soest
213
Kroe~twis
bos gemaakt van kruiden en granen en vruchten (cultuurgebruik)
214
Kroednaegel
seringen
215
Kroeëte
rode bieten
216
Krötje
klein kindje, kleine mens (culot)
217
Krujer
schooier
218
Kruuske
gekruiste vingers bij tikkertje
219
Kui
hok
220
Kuite
voetballen op één goal
221
Kummelijk
kwetsbaar, zeikerig precies
222
Kuulkedrolle
knikkeren
223
Kuu~me
kreunen, persen, hard werken
224
Kuu~s
breed geschouderd, athletisch gebouwd type
225
Kwagge/kwieme
jonge vogels, verwaande meisjes
226
Kwakel
denneappel
227
Kwazel/kwazele
flauwekul, onzin/onzin vertellen
228
Kwekvors
kikker
229
Kwellik
nauwelijks, net, pas
230
Kwojje
slechte
231
Laeze
uitsorteren van zaden, bv mais, bonen
232
Leis
lange teugels (voor aangespannen paard)
233
Leknaas
iemand die niks lust
234
Lier
ladder
235
Lichtig
meestal
236
Litsen
bretels
237
Löbbes
goeiige sul
238
Loeëk
uien
239
Loemele
vodden
240
Loeëzie
horloge
241
Loerie~zer
bril
242
Maelder
merel
243
Maelkorf
Vlaamse gaai
244
Mangelwortel
voederbiet
245
Manskel, mansluuj
man, mannen
246
Megje
meisje
247
Mei~d
verloofde
248
Meizoentje
madeliefje
249
Mej
soms, ook: berkentak
250
Middá~g
12 uur 's middags
251
Míddaag
namiddag
252
Mie~mer
aalbes
253
Mieske
katje
254
Miet
stromijt
255
Mie~zele
motregenen
256
Mins (miene)
echtgenoot (mijn)
257
Mi~spel
wesp
258
Mo
moeder
259
Moa~
uitroep van verbazing
260
Moal
koe die voor het eerst gekalfd heeft
261
Moeëk
geheime bergplaats
262
Moeke
slijmen, loven, prijzen, stimuleren
263
Moelbaere
bosbessen
264
Moe~le
praatjes maken, schelden
265
Moe~lemaeker
praatjesmaker
266
Moer
waterketel
267
Moet, moetworm
mol
268
Moets, muutske
korstje, kontje van de wek
269
Moetse
dutje doen
270
Mök, mökske
kalf, jonge koe die nog niet gekalfd heeft
271
Moor
vrouwelijk konijn
272
Möp
kooswoordje voor jonge meisjes, ook: flapdrol
273
Möppig
duur, heet
274
Mós
kool
275
Muuskes
biceps
276
Naeve
naast
277
Nagel
spijker
278
Náks
naakt
279
Nemus
niemand
280
Noavenant
naar verhouding, relatief
281
Neuke
etteren, klieren, vervelend doen
282
Nieje
sterke ontkenning
283
Nì kunne lieje
niet uit kunnen staan
284
Nöle
zanikken
285
Nondejuuke
vlinderstrikje
286
Nuëj
ongraag
287
Nuëje
uitnodigen
288
Nuëtelik
snel op de teentjes getrapt
289
Nut, nutterik, nutzak
slecht, smerig, kwaad, gevaarlijk, slechterik
290
Oers
rood-bruine, ijzerhoudende grond, ijzererts
291
Oe~tdoo~n
rooien, uitmesten
292
Oe~tschoebe
de les lezen, uitschelden
293
Olienutje
pinda
294
Onaeve
onaardig
295
Onbenirlijk
onbarmhartig, ontiegelijk
296
Ophöffe
optillen
297
Opstoeke
iemand aanzetten tot iets
298
Ozele
kou lijden
299
Paek
laurierdrop
300
Pannestaart
kikkervisje
301
Pársvleis
huidvlees
302
Peg
houten spie, naam van de Gekke Moandaagvereniging
303
Pee~er
regenworm
304
Pei~ts
paardenzweepje
305
Penanty
strafschop
306
Petatte
aardappels
307
Pi~n, gérepi~n
gierig persoon
308
Piepwörsjes
kleine worstjes
309
Piers
perzik
310
Pimpy
babykrul
311
Pindroad, pundroad
prikkeldraad
312
Pinkele
spel met hout 20cm lang, diam 3 - 4 cm
313
Pinkes
haarkrullers
314
Pips
bleek
315
Pitsers
dennenaalden
316
Pispötjes
bloemen van hagewinde
317
Plak
veld
318
Plakke
opschieten
319
Plare
klungelen
320
Plats
rond brood
321
Pletske
koekje
322
Poekel
rug
323
Poelepetate
parelhoenders
324
Poem (dieke)
dikke vrouw of meisje
325
Poerikke
wroeten
326
Poes
boomstronk
327
Poesaerd
humus, potgrond uit boomstronk
328
Poe~s
bos (haar, gras)
329
Poet
buit
330
Poetje
paardje
331
Potterskas
spaarkas in café
332
Prazel
onzin
333
Prazele
onzin vertellen
334
Preugele
vechten
335
Proas
luie stoel, leunstoel
336
Proe~m
plotselinge hoeveelheid, bv proe~m gas
337
Próngeluk
per abuis, niet opzettelijk
338
Pruumkes
rozijnen
339
Pruumkeswek
rozijnenbrood
340
Pruuse
Duitsland, Duitsers
341
Puëtje trekke
varken dat geslacht wordt pootje haken
342
Pulf
beddek gevuld met veren of korenkaf
343
Pui~ne
kweekgras
344
Pulle
jonge kippen, jonge meisjes
345
Pullike
peuteren
346
Pupse
korstjes in de ogen
347
Qualme
walmen
348
Raadgek (gek as 'n kárraad)
knettergek
349
Ram
helemaal
350
Rats
helemaal
351
Razele
rillen
352
Remmel
mannelijk konijn, kwajongen
353
Richtig
echt, juist
354
Roakeliezer/rökeliezer
pook
355
Roaf, röfke
wondkorst
356
Roas
plag gras
357
Roetsbaan
glijbaan
358
Roetse
glijden
359
Rulse
stoeien
360
Ruiter
driepoot om hooi op te laten drogen
361
Ruzele
ruien
362
Sanikbóks
zeurpiet
363
Sauwel
koffiedik
364
Schalevaeger
schavuit
365
Schans
takkenbos
366
Schárkukske
nakomertje
367
Schárre
scharrelen
368
(Brille)schei
(brille)étui
369
Scheuteling
halfwas
370
Schietmael
melde
371
Schievele
platte steen over het water laten stuiteren
372
Schievelstieën
platte steen
373
Schink
ham
374
Schoddere
schuifelen
375
Schoddervot
iemand die ongemakkelijk schuifelt
376
Schoester
schoenmaker
377
Schókkele
schudden
378
Scholk
schort
379
Schon (ja schon)
jawel
380
Schoop
platte schop
381
Schoor
onweersbui
382
Schoo~w
bang
383
Schop
open schuur
384
Schörge
kruien, met 'n kruiwagen rijden
385
Schóttelslet
vaatdoek
386
Schouw
schoorsteen
387
Schrauwe
huilen
388
Schravele
onhandig voortbewegen
389
Schriëper (schriëpel)
dun, mager
390
Schroam (meervoud: schröm)
kras, schram
391
Schroevele
verschuiven, bv op fietszadel
392
Schröm
geld
393
Schu~pe
struinen, schooien, bedelen
394
Schuttelke
bordje
395
Schuumke trekke
schuim van laurierdrop opzuigen
396
Slam
steenkoolslib
397
Slangkómkómmer
komkommer
398
Slet
doek, lap
399
Sletje
verband
400
Sliddere
glijden
401
Slieëj tand
droog aanvoelende tanden
402
Slieps
stropdas
403
Sluëp
kram
404
Slup
schoot
405
Smaer
slaag
406
Smekke
smakken onder het eten
407
Smele
gras op heideveld, haren
408
Smik
zweep
409
Smoe~zele
motregenen
410
Snammel
stukje draad, lap, touw
411
Sneejer
kleermaker
412
Snel
autoped
413
Snelluëper
autoped
414
Snierke
roken
415
Snubbike
snuffelen, zoeken, scharrelen
416
Snuupke
snoepje
417
Sókkersteel
zuurstok
418
Spaje
spitten
419
Speer (gen)
halm, spriet, spier haar. met gen er voor: niets
420
Spegele
afgunst uitlokken
421
Speje
spugen, overgeven
422
Sperjes
asperges
423
Spienze
loeren
424
Spinnejaeger
ragebol
425
Spitse (zich)
zich verheugen
426
Spoe~s, spoe~skop
wilde, onverzorgde haardracht, krullen, krullenkop, kroeskop
427
Spooje (zich)
(zich) haasten, opschieten
428
Sproan
spreeuw
429
Sprung
bron, wel
430
Staekschup
schop(om mee te spitten)
431
Stale op
lijken op
432
Stanketsel
schutting van spijlen
433
Stártepötje
steelpannetje
434
Stártpenke
steelpannetje
435
Statie
station
436
Stechele
redetwisten, ruziën
437
Stekbaere
kruisbessen
438
Stekrubbe
koolrapen
439
Sterreflikker
sterretjes (kindervuurwerk)
440
Stevels
laarzen
441
Stieb
stut
442
Stinkers
Afrikaantjes
443
Stoebe
paardebloemen
444
Stoek
elektrische schok
445
Stoekdroad
schrikdraad
446
Stoep, stuupke
trottoir, stoep
447
(De) Stort
bijkeuken met 'n afvoergat in de buitenmuur
448
Straevele
redetwisten, ruziën
449
Strang
strak
450
Strekel
deugniet, wetplank voor zeis
451
Striekers
lucifers
452
Strietse
jatten
453
Strik
stropdas   Ook strop om wild te vangen
454
Stróntse
opscheppen
455
Ströb/Strubbe
bengels, vervelende jongens
456
Stücker
stucadoor
457
Stuute
prijzen
458
Stuutje
broodje
459
Stuutjes grie~pe
broodjes vangen; oude Lottumse folklore bij bruiloften
460
Taek
tikkertje
461
Tár
teer, bitumen
462
Tas
kop
463
Tattie
vies spul
464
Telder
bord
465
Tes
broekzak
466
Teur
pin waaraan koe of geit vast zit
467
Tif
sperma
468
Tijnen
wilgetenen
469
Tisnaas
leknaas
470
Tod
lap
471
Toe
dicht
472
Toep
top, punt, schoenneus
473
Toepe
kaartspel
474
Tómp
stuk, hoek, uiteinde
475
Tóntele
met vuur spelen
476
Toe~mel
geplaar, niet gemakkelijk
477
Toe~r
vrouwenhoofdbedekking (klederdracht)
478
Toe~t
blaasinstrument, toeter, claxon
479
Toesse / umtoesse
ruilen /omruilen
480
Tosse
om de oren slaan, vuurtje stoken
481
Toter
vies spul
482
Trek
lade, tocht (op d'n trek = in de tocht)
483
Trekke
tochten
484
Tricot, triek
trui
485
Triezele
rillen, trillen, stuiteren, ronddraaien met twee
486
Tu~ut
kip
487
Tumelemuutske
koprol
488
Uëj
verlegen, bleu, tam
489
Umtrekke
omkleden
490
Va
vader
491
Vaaj
vouw, rimpel
492
Vaaje
toevouwen
493
Vaeg
meisje of vrouw die niet met zich laat sollen
494
Vaeme
slaan, meppen
495
Vas
alvast
496
Velling
velg
497
Verduusseld
bewusteloos
498
Verkèt
vork
499
Verkeskiëbus
varkenskop
500
Verkeskiek
starende blik
501
Verroepzakke
verpesten, moedwillig vernielen
502
Verrig
klaar
503
Versiel
aanmaakhout
504
Verteure
verplaatsten van pin waar koe of geit aan vast zit
505
Vès
net, pas geleden, alvast
506
Vet (aan)
op elkaar gesteld
507
Viezele
knoeien
508
Ville
kwellen, pijn doen
509
Vimpe / fimpe
met vuur spelen
510
Visgè~rt
vishengel
511
Vlimme
stekelige kaf van gerst en rogge
512
't Voare
poort, doorgang (voare = tolpoort)
513
Voargát
opening in 't gelint, inrit van een wei = voare
514
Vóórschóttel
voerschotel, schep
515
Vort
voortaan
516
Vot
kont
517
Vottetes
kontzak
518
Vreeje
verkering hebben
519
Vreejer
vrijer
520
Vrek, vrech
brutaal
521
Vreute
wroeten
522
Vrommes, vrouwluuj
vrouw, vrouwen
523
Waerd
waard, wei aan de Maas
524
(Zich) Waere
zich verdedigen, oppassen, voorzichtig zijn
525
Waers
dwars, stijfkoppig
526
Wah
527
Waltje
tekkel
528
Wap (van de)
Wijs (van de)
529
Wazel
onzin
530
Wazele
onzin vertellen
531
Wek
brood
532
Wiks
schoensmeer
533
Wies
tot
534
Wiet
ver
535
Wiets
stok, twijg, mop
536
Wings
scheluw
537
Wroebel
wasbord
538
Wuilus
lobbes
539
Wulleboeëne
tuinbonen
540
Zaal
zadel
541
Zátvraeter
leknaas, iemand die altijd klaagt over het eten
542
Zauwel
koffiedik
543
Zeeg
tam, zachtmoedig
544
Zeech
kortstelige zeis, zicht
545
Zeikkelder
gierkelder
546
Zeikschöpper
gieremmer
547
Zekdempel, zeiker
mier
548
Zeumere
aren rapen na het maaien
549
Zoebele
sabbelen, duimen
550
Zumpe
zeuren, huilen
551
Zuutjes
zachtjes, langzaam
552
Zwaegel, zwaegelstökskes
lucifers
553
Zwaegele
opscheppen (Rutten Hand)
554
Zwee~l
eelt
555
Zwelf
zwaluw