Nog maar eens een paar Lottumse woorden die me pas ingevallen zijn of ingefluisterd: flatse, krebbele en foeës.
Eerst maar eens flatse: zakken voor een examen
“Hè~t Mientje nou 't reejbewie~s al?”
“Nè~è, ze is alwir geflatst. Vur d'n twelfde kier al. Rè~ch door reeje, dát göt waal, ma dreije dát kán ze nog nì zò good.”
“Hey van Gool, waarom moet dat nou weer Mientje zijn die flatst? Waarom niet Wiel of Jeu? Flauw, altijd maar weer vrouwen voor de gek houden. Vrouwen kunnen veel beter rijden dan mannen. En wat zou er van de mannen terecht komen als er geen vrouwen waren? En hoe vaak ben je zelf wel niet geflatst?”
“Eh, daar heb ik het eigenlijk liever niet over, maar als ik eerlijk ben: vier keer. Twee keer voor het auto-rijbewijs en twee keer met de motor.”
Tsja, het rijexamen was kort na de oorlog ook veel gemakkelijker. Mijn oom Hay Jonkers deed zijn examen aan de Markt bij Broekmans Toeën voor de deur. "Reej 's 'n stukske nao veure" zei de examinator en Hay schakelde in de eerste versnelling en reed een meter of 30 vooruit. "Kunde ok drei~e?" vroeg hij. "Ja schon" zei Hay en daarmee was de examinator overtuigd van Hay zijn rij-capaciteiten en was hij geslaagd.
Volgende woord: krebbele: met een pen of potlood zo maar wat krassen op papier.
Dat deed ik op de bewaarschool als ik van juffrouw Mien wat moest tekenen maar geen artistieke inspiratie had en helemaal niets kon verzinnen. Dan begon ik maar wat te krassen.
En Debbie van Deelen stuurde me het woord foeës. Ze wist niet precies wat het betekent. Een kruising tussen loom en lamlendig dacht ze. Het is in elk geval een mooi oud Lottums woord, hoewel ik vermoed dat het van het NL woord "voos" komt. Maar helemaal hetzelfde is het zeker niet want ik weet wel wat vozen is, maar van foeëze heb ik nog nooit gehoord.
Ik denk dat Debbie gelijk heeft en dat het iets betekent in de richting van: moe, lui, loom, lamlendig, vadsig.
“Stien, lopte mei noa de Maas?”
“Nè~è, ik blie~f lever thoe~s. Ik veul meej zò foeës as unnen alde petat.”
“Môtte 's kieke wát ôs Truus doa foeës op d'n divan lee~t.”
Is het zoiets? Wie weet het?
En wie weet er trouwens nog wat een divan is? Wij hadden er een in de huiskamer staan, ’n soort bank met een hoofdeinde en een lage leuning aan de achterkant. Meer een bed eigenlijk. En meer om op te liggen dan op te zitten. Onze divan is bij de verhuizing in 1962 in Lottum gebeven. Geen idee wie hem geërfd heeft. Is hij naar de Melderse verhuisd? Of in de Bergsche koel beland?
vrijdag 26 februari 2010
zondag 7 februari 2010
Tante An - deel 4: Har in het hemelrijk
In het stukje van een paar weken geleden over mijn tante An schreef ik al dat ze gevoel voor humor had en onverwachte talenten. En dat ze ooit eens de aankomst van Harrie Jonkers in de hemel beschreven had. Dat verhaal staat in een schoolschrift en dat heb ik gisteren overgetypt (met hulp op 6000 km afstand van mijn nicht Ankie van de Kroe~tpers). Een paar schrijffouten heb ik verbeterd en soms heb ik een zin wat beter laten lopen, maar dit is toch 100% het verhaal, de fantasie en de humor van An. Er staat geen datum bij, maar Harrie is in 1968 overleden en ik vermoed dus dat ze het ook in dat jaar heeft geschreven.
In een dorpje, vlak bij het Marktplein lag een kruidenierszaak, de VIVO. Ze behoorde aan het echtpaar H. Jonkers Nijssen, in de volksmond Harie en Gretha genoemd. Ze waren de gehele dag druk. Ook was er nog een hulp bij aanwezig, de zus van Gré, die voor het huishouden zorgde en zo nu en dan, als het nodig was, hielp in de zaak.
Har trok er op uit om de waar aan de man te brengen en Gré bediende de klanten die in de winkel kwamen. Tot op zekere dag Har ziek werd en in het ziekenhuis werd opgenomen. Voor Har begon de lijdensweg. Hij heeft het goed aanvaard al viel het hem zwaar, ook dat hij zijn klanten niet meer kon bedienen. Tot op een dag Jezus kwam en zei: “Har we gaan het hemelrijk eens bezichtigen” en Jezus nam Harretje mee naar de hemel.
Toen ze een end op weg waren zei Jezus opeens “ik moet nog eens naar beneden, ik ben vergeten mij te vertegenwoordigen in brood en wijn, maar jij komt toch wel klaar daar boven denk ik”. “Het zal wel lukken” zei Har, ofschoon het toch wel een beetje moeilijk was in het begin. Dan vloog er een reiger tegen je ziel aan en dan een kraanvogel, maar hoe hoger je kwam hoe beter het lukte.
Eindelijk kwam Har aan bij de grote hemelruimte. Hij zag al gauw de grote gouden poort. Har belde aan, het schalde in de ruimte. De deur ging open en een stoere oude man met baard kwam tevoorschijn. “Kijk daar heb je Harretje”. Het was de heilige Petrus die zo sprak. “Ja ik weet er van af, welkom hier”.
Petrus die toch al tamelijk goed wist omtrent het gedrag van Har moest volgens gewoonte het grote gouden boek tevoorschijn halen, en ja daar was de J van Jonkers. Hij bekeek alles, het gedrag van Har. Of hij nooit iemand in de verkoop tekort gedaan had, stond er, en ja misschien had hij een slechte betaler een pondje boter bij de rekening geteld, maar iedereen doet wel eens iets wat niet helemaal juist is. En wat de zedelijkheid betreft was ook niet te klagen. Verder ging Petrus niet. De voornaamste punten waren behandeld en Har werd in de gemeenschap der Heiligen opgenomen.
“H. Petrus”, zei Har “ik zou wel graag als het kan mijn Moeder, mijn Vader, mijn zus Nellie, tante Nel zaliger en oom Handrie enz enz ontmoeten en spreken”. “Dat kan zeker”, zei Petrus, “ik zal eens kijken waar ze zich bevinden”.
Petrus beklom een gouden trap, haalde een pracht verrekijker waar je het hele hemelrijk mee kunt bezien en jawel, hij had ze gezien. “Het is wel erg ver lopen” zei Petrus, “je doet er de tijd maar over, rechts in een hoek zitten ze bij elkaar”. Har liep graag, ofschoon hij toch nog vroeg of er geen vleugeltjes meer waren. “Nou, van die vleugeltjes hebben we afgezien” zei Petrus, “het is meer ouderwets. Dan komt deze, dan die, die met zijn vleugels ergens tegenop is gevlogen en vleugellam is. En vleugelreparateurs zijn er haast geen meer”. “Dat snap ik”, zei Har. Zo trok Har toen maar met de handen op de rug, zoals gewoonlijk, op zoek naar de familie!
Wat je allemaal zag, niet te geloven zo mooi. Muziekgezelschappen, prachtige orkesten enz enz, je kon je vermaken zoals je wilde. In een hoek zat een prachtige jonge mannelijke heilige met een beeldschoon jong Engeltje. Ze zaten zich op hun manier te vermaken. Geweldig wat je zo allemaal zag!
Toen hij nog een eind gelopen had zag hij opeens de eerste bekende: Jeu vd Laak met de heilige Hubertus. Ze waren hun jachtgeweer aan het verzorgen, een prachtgeweer met goud beslagen. Schieten was hun hobby natuurlijk. Ze praatten even samen over de harmonie van Lottum enz en Har trok weer verder, want natuurlijk zou hij in de eerste plaats zijn familie willen zien. Een eind verder zag Har iemand met een hengel. Hij dacht, daar zou ik nou meer voor voelen. In de vakantie op aarde heb ik toch ook een goede vangst gedaan. Hij stapte er op af. “Morgen Heilige Siprianus”, zei Har. “Kent U mij met naam?”, antwoordde de heilige. “Ja”, zei Har, “vanuit het misboekje”. “Voer aan het klaarmaken voor de vangst?”
Nou het was voer, zo fijn en goed, daar zou een gewoon mens op aarde nog zin in hebben. Ze praatten nog even, en Har besloot toch een keer mee te gaan hengelen.
Hij trok weer verder en zag daar in een hoekje een heilige ziel zitten te bidden. “Goedemorgen zei Har, wat aan het sneuzen?” Het was de H. Agatha zo te zien. “Ja” zei de ziel, “ik ben de metten aan het bidden”. “Ja, dat deed mijn zus hier beneden ook altijd” zei Har, “maar van geestelijke ruikertjes hoor je toch niets meer tegenwoordig”. “Jawel” zei de heilige, “er zijn toch nog veel vrome zielen die nog veel bij elkaar vergaren”.
Van die semmel moet ik niks hebben, dacht Har en ging verder, tot hij eindelijk de hele familie, de zielen Jonkers ontmoette. Het was een weerzien, geweldig. Tante Nella zaliger was ook zo gelukkkig, er werd gepraat en gevraagd naar de hele familie en kennissen.
Na een langdurig samenzijn zei Har: “ik moet toch nog even wat kennissen proberen te vinden en bezoeken, ik kom zo gauw mogelijk terug”. Hij zag al gauw genoeg Toon Broekmans en Sir v. Soest. Toon die zich al zo thuis voelde vroeg: “waar heb je zin in Harie, hier kun je krijgen net waar je zin in hebt”. “Nou dan maar een pilsje”, zei Har. Toon rees overeind, floot, maakte een zwaai en het pilsje was zo present.
Toon keek zo gelukkig en zei: “zie je wel, je hoeft maar een teken te geven en je verlangens worden vervuld”. Na zo het een en ander gepraat te hebben ging Har weer verder. Hij zag zo nog de een en ander zoals koningin Wilhelmina, vrouw Teluij, vrouw Pelzer, Mevr. vd Voord die samen zaten te jokeren. Hij ging er even op af. “Ja” zei koningin Wilhelmina, “in de hemel zijn alle zielen hetzelfde, geen verschil, wat ook goed is”. “Jokeren kon ik ook goed” zei Har, “dat heeft Sjaak Nijssen mij nog geleerd toen ik nog op de wereld was”.
Zo voortkuierend werd Har toch moe. Hij zette zich een eind verder neer in het mooie groene gras en viel al gauw in slaap. Har droomde, hij keek door het luik naar beneden en zag Gré in de schuur de flessen sorteren. Hij riep “Gré, kom maar naar boven, hier is het zo mooi en goed”. Maar Gré wist niet wat ze doen zou, het was zo raar, en zei: “ik weet het niet zeker, ik weet wel wat ik heb, maar niet wat ik krijg” (volgens de droom).
Har schrok wakker, zo luidt het verhaal, of er waarheid in zit weet ik niet. We willen maar hopen dat er alles goed is en Har achter de rijstepap met de gouden lepels aanzit. Zo eindigt het verhaal.
An Nijssen Lottum
Harrie Jonkers
Har in het hemelrijk
In een dorpje, vlak bij het Marktplein lag een kruidenierszaak, de VIVO. Ze behoorde aan het echtpaar H. Jonkers Nijssen, in de volksmond Harie en Gretha genoemd. Ze waren de gehele dag druk. Ook was er nog een hulp bij aanwezig, de zus van Gré, die voor het huishouden zorgde en zo nu en dan, als het nodig was, hielp in de zaak.
Har trok er op uit om de waar aan de man te brengen en Gré bediende de klanten die in de winkel kwamen. Tot op zekere dag Har ziek werd en in het ziekenhuis werd opgenomen. Voor Har begon de lijdensweg. Hij heeft het goed aanvaard al viel het hem zwaar, ook dat hij zijn klanten niet meer kon bedienen. Tot op een dag Jezus kwam en zei: “Har we gaan het hemelrijk eens bezichtigen” en Jezus nam Harretje mee naar de hemel.
Toen ze een end op weg waren zei Jezus opeens “ik moet nog eens naar beneden, ik ben vergeten mij te vertegenwoordigen in brood en wijn, maar jij komt toch wel klaar daar boven denk ik”. “Het zal wel lukken” zei Har, ofschoon het toch wel een beetje moeilijk was in het begin. Dan vloog er een reiger tegen je ziel aan en dan een kraanvogel, maar hoe hoger je kwam hoe beter het lukte.
Eindelijk kwam Har aan bij de grote hemelruimte. Hij zag al gauw de grote gouden poort. Har belde aan, het schalde in de ruimte. De deur ging open en een stoere oude man met baard kwam tevoorschijn. “Kijk daar heb je Harretje”. Het was de heilige Petrus die zo sprak. “Ja ik weet er van af, welkom hier”.
Petrus die toch al tamelijk goed wist omtrent het gedrag van Har moest volgens gewoonte het grote gouden boek tevoorschijn halen, en ja daar was de J van Jonkers. Hij bekeek alles, het gedrag van Har. Of hij nooit iemand in de verkoop tekort gedaan had, stond er, en ja misschien had hij een slechte betaler een pondje boter bij de rekening geteld, maar iedereen doet wel eens iets wat niet helemaal juist is. En wat de zedelijkheid betreft was ook niet te klagen. Verder ging Petrus niet. De voornaamste punten waren behandeld en Har werd in de gemeenschap der Heiligen opgenomen.
“H. Petrus”, zei Har “ik zou wel graag als het kan mijn Moeder, mijn Vader, mijn zus Nellie, tante Nel zaliger en oom Handrie enz enz ontmoeten en spreken”. “Dat kan zeker”, zei Petrus, “ik zal eens kijken waar ze zich bevinden”.
Petrus beklom een gouden trap, haalde een pracht verrekijker waar je het hele hemelrijk mee kunt bezien en jawel, hij had ze gezien. “Het is wel erg ver lopen” zei Petrus, “je doet er de tijd maar over, rechts in een hoek zitten ze bij elkaar”. Har liep graag, ofschoon hij toch nog vroeg of er geen vleugeltjes meer waren. “Nou, van die vleugeltjes hebben we afgezien” zei Petrus, “het is meer ouderwets. Dan komt deze, dan die, die met zijn vleugels ergens tegenop is gevlogen en vleugellam is. En vleugelreparateurs zijn er haast geen meer”. “Dat snap ik”, zei Har. Zo trok Har toen maar met de handen op de rug, zoals gewoonlijk, op zoek naar de familie!
Wat je allemaal zag, niet te geloven zo mooi. Muziekgezelschappen, prachtige orkesten enz enz, je kon je vermaken zoals je wilde. In een hoek zat een prachtige jonge mannelijke heilige met een beeldschoon jong Engeltje. Ze zaten zich op hun manier te vermaken. Geweldig wat je zo allemaal zag!
Toen hij nog een eind gelopen had zag hij opeens de eerste bekende: Jeu vd Laak met de heilige Hubertus. Ze waren hun jachtgeweer aan het verzorgen, een prachtgeweer met goud beslagen. Schieten was hun hobby natuurlijk. Ze praatten even samen over de harmonie van Lottum enz en Har trok weer verder, want natuurlijk zou hij in de eerste plaats zijn familie willen zien. Een eind verder zag Har iemand met een hengel. Hij dacht, daar zou ik nou meer voor voelen. In de vakantie op aarde heb ik toch ook een goede vangst gedaan. Hij stapte er op af. “Morgen Heilige Siprianus”, zei Har. “Kent U mij met naam?”, antwoordde de heilige. “Ja”, zei Har, “vanuit het misboekje”. “Voer aan het klaarmaken voor de vangst?”
Nou het was voer, zo fijn en goed, daar zou een gewoon mens op aarde nog zin in hebben. Ze praatten nog even, en Har besloot toch een keer mee te gaan hengelen.
Hij trok weer verder en zag daar in een hoekje een heilige ziel zitten te bidden. “Goedemorgen zei Har, wat aan het sneuzen?” Het was de H. Agatha zo te zien. “Ja” zei de ziel, “ik ben de metten aan het bidden”. “Ja, dat deed mijn zus hier beneden ook altijd” zei Har, “maar van geestelijke ruikertjes hoor je toch niets meer tegenwoordig”. “Jawel” zei de heilige, “er zijn toch nog veel vrome zielen die nog veel bij elkaar vergaren”.
Van die semmel moet ik niks hebben, dacht Har en ging verder, tot hij eindelijk de hele familie, de zielen Jonkers ontmoette. Het was een weerzien, geweldig. Tante Nella zaliger was ook zo gelukkkig, er werd gepraat en gevraagd naar de hele familie en kennissen.
Na een langdurig samenzijn zei Har: “ik moet toch nog even wat kennissen proberen te vinden en bezoeken, ik kom zo gauw mogelijk terug”. Hij zag al gauw genoeg Toon Broekmans en Sir v. Soest. Toon die zich al zo thuis voelde vroeg: “waar heb je zin in Harie, hier kun je krijgen net waar je zin in hebt”. “Nou dan maar een pilsje”, zei Har. Toon rees overeind, floot, maakte een zwaai en het pilsje was zo present.
Toon keek zo gelukkig en zei: “zie je wel, je hoeft maar een teken te geven en je verlangens worden vervuld”. Na zo het een en ander gepraat te hebben ging Har weer verder. Hij zag zo nog de een en ander zoals koningin Wilhelmina, vrouw Teluij, vrouw Pelzer, Mevr. vd Voord die samen zaten te jokeren. Hij ging er even op af. “Ja” zei koningin Wilhelmina, “in de hemel zijn alle zielen hetzelfde, geen verschil, wat ook goed is”. “Jokeren kon ik ook goed” zei Har, “dat heeft Sjaak Nijssen mij nog geleerd toen ik nog op de wereld was”.
Zo voortkuierend werd Har toch moe. Hij zette zich een eind verder neer in het mooie groene gras en viel al gauw in slaap. Har droomde, hij keek door het luik naar beneden en zag Gré in de schuur de flessen sorteren. Hij riep “Gré, kom maar naar boven, hier is het zo mooi en goed”. Maar Gré wist niet wat ze doen zou, het was zo raar, en zei: “ik weet het niet zeker, ik weet wel wat ik heb, maar niet wat ik krijg” (volgens de droom).
Har schrok wakker, zo luidt het verhaal, of er waarheid in zit weet ik niet. We willen maar hopen dat er alles goed is en Har achter de rijstepap met de gouden lepels aanzit. Zo eindigt het verhaal.
An Nijssen Lottum
zondag 31 januari 2010
Nostalgie
Wat is een mensenleven? Je wordt geboren en je gaat een keer dood. En als het een beetje meezit dan zitten daar een jaar of tachtig tussenin waarin je kleutert, naar school gaat, werkt, trouwt, een huis koopt, kinderen krijgt en opvoedt, kortom, waarin je het druk druk druk hebt en de tijd voorbij raast. En dan komt er een moment waarop je je met schrik realiseert dat je jeugd echt, definitief voorbij is, dat je dik over de helft bent en gegarandeerd meer verleden hebt om op terug te kijken dan toekomst om naar uit te zien.
Je gaat nadenken over wat je gedaan hebt met je leven, verloren liefdes, gemiste kansen, wat er allemaal gebeurd is met je, met je familie, je dorp, je land, de wereld, het universum. Nou, met dat laatste niet veel, voor de sterren en planeten maken die paar jaar geen zak uit.
Maar onze mensenwereld is ingrijpend veranderd sinds de tweede wereldoorlog en je realiseert je ineens wat er allemaal niet meer is. Je gaat terugdenken aan je jeugd, aan de mensen die er niet meer zijn, de gebouwen die verdwenen zijn, de gebruiken die zijn afgeschaft. Je idealiseert die tijd, je praat, tot verveling van je omgeving, steeds meer over vroeger. Kortom, je bent een beetje een oud mannetje (of vrouwtje) geworden met heimwee naar de goede oude tijd. Dat gevoel, dat verlangen naar vroeger, het treuren over wat er niet meer is, heet nostalgie. Er zijn tientallen websites, radio- en TV programma’s over nostalgie dus er schijnen nogal wat mensen met dat gevoel rond te lopen.
En wat doe je met dat gevoel? De een gaat zijn jeugdherinneringen opschrijven in een blog, de ander bouwt de molen terug die in de oorlog gesneuveld is en een derde gaat oude foto’s verzamelen en uitgeven in boeken.
Met die fotoverzamelaar bedoel ik Frans Gommans natuurlijk. Hij is van hetzelfde bouwjaar als ik, 1947. We hebben in dezelfde klas gezeten op dezelfde school, de RK Lagere Jongenschool aan de Horsterdijk. Maar hij heeft daar blijkbaar beter opgelet en meer geleerd dan ik, want hij heeft een groot bedrijf opgebouwd en is een successvol zakenman geworden die het zich al jaren kan permitteren om op zijn lauweren te rusten. En ik: een ambtenaartje dat tot zijn 65ste hard moet blijven werken.
Frans en ik kregen onafhankelijk van elkaar in dezelfde periode zo’n beetje hetzelfde idee: het verleden van Lottum vastleggen. Ik begon aan mijn blog en Frans z’n hobby resulteerde vorig jaar in Fotoboek Lottum 1, een leuke, interessante verzameling foto’s van Lottumse mensen en gebouwen. Momenteel werkt hij aan deel 2, dat uit zal komen tijdens het Rozenfeest van 2010. En daarna komen nog de delen 3 en 4 aan de beurt. Het mooie van Frans zijn hobby is dat het geld oplevert. Niet voor hemzelf, hij doet het allemaal gratis, maar voor het goede doel: de Houthuizer Molen.
Ik weet niet wie dat bedacht heeft, het weer opbouwen van die molen, (Piet Coenders?) en wie daar allemaal aan meegewerkt hebben, maar dat was een prachtig initiatief met een fantastisch eindresultaat. Petje af voor de stichting en voor de hele Lottumse gemeenschap!!!
Informatie over de fotoboeken is bij Frans te krijgen via fotoboeklottum@gmail.com en ik dring er bij alle Lottumers en ex-Lottumers op aan: trek die portemonnee en koop die boeken, alle vier!! Voor de Molen, voor Houthuizen, voor Lottum, voor Limburg, voor het vaderland, maar vooral voor je eigen genoegen, om er doorheen te bladeren en met plezier terug te kijken naar die goede oude tijd.
Af en toe tenminste, niet te vaak. Niet vergeten dat het toen ook niet elke dag kermis was maar meestal hard werken, armoe, afzien. Kijk vooruit, blijf actief, het leven gaat door. Maak er een feest van. Geniet. Zolang het kan. Elke dag.
Je gaat nadenken over wat je gedaan hebt met je leven, verloren liefdes, gemiste kansen, wat er allemaal gebeurd is met je, met je familie, je dorp, je land, de wereld, het universum. Nou, met dat laatste niet veel, voor de sterren en planeten maken die paar jaar geen zak uit.
Maar onze mensenwereld is ingrijpend veranderd sinds de tweede wereldoorlog en je realiseert je ineens wat er allemaal niet meer is. Je gaat terugdenken aan je jeugd, aan de mensen die er niet meer zijn, de gebouwen die verdwenen zijn, de gebruiken die zijn afgeschaft. Je idealiseert die tijd, je praat, tot verveling van je omgeving, steeds meer over vroeger. Kortom, je bent een beetje een oud mannetje (of vrouwtje) geworden met heimwee naar de goede oude tijd. Dat gevoel, dat verlangen naar vroeger, het treuren over wat er niet meer is, heet nostalgie. Er zijn tientallen websites, radio- en TV programma’s over nostalgie dus er schijnen nogal wat mensen met dat gevoel rond te lopen.
En wat doe je met dat gevoel? De een gaat zijn jeugdherinneringen opschrijven in een blog, de ander bouwt de molen terug die in de oorlog gesneuveld is en een derde gaat oude foto’s verzamelen en uitgeven in boeken.
Met die fotoverzamelaar bedoel ik Frans Gommans natuurlijk. Hij is van hetzelfde bouwjaar als ik, 1947. We hebben in dezelfde klas gezeten op dezelfde school, de RK Lagere Jongenschool aan de Horsterdijk. Maar hij heeft daar blijkbaar beter opgelet en meer geleerd dan ik, want hij heeft een groot bedrijf opgebouwd en is een successvol zakenman geworden die het zich al jaren kan permitteren om op zijn lauweren te rusten. En ik: een ambtenaartje dat tot zijn 65ste hard moet blijven werken.
Frans en ik kregen onafhankelijk van elkaar in dezelfde periode zo’n beetje hetzelfde idee: het verleden van Lottum vastleggen. Ik begon aan mijn blog en Frans z’n hobby resulteerde vorig jaar in Fotoboek Lottum 1, een leuke, interessante verzameling foto’s van Lottumse mensen en gebouwen. Momenteel werkt hij aan deel 2, dat uit zal komen tijdens het Rozenfeest van 2010. En daarna komen nog de delen 3 en 4 aan de beurt. Het mooie van Frans zijn hobby is dat het geld oplevert. Niet voor hemzelf, hij doet het allemaal gratis, maar voor het goede doel: de Houthuizer Molen.
Ik weet niet wie dat bedacht heeft, het weer opbouwen van die molen, (Piet Coenders?) en wie daar allemaal aan meegewerkt hebben, maar dat was een prachtig initiatief met een fantastisch eindresultaat. Petje af voor de stichting en voor de hele Lottumse gemeenschap!!!
Informatie over de fotoboeken is bij Frans te krijgen via fotoboeklottum@gmail.com en ik dring er bij alle Lottumers en ex-Lottumers op aan: trek die portemonnee en koop die boeken, alle vier!! Voor de Molen, voor Houthuizen, voor Lottum, voor Limburg, voor het vaderland, maar vooral voor je eigen genoegen, om er doorheen te bladeren en met plezier terug te kijken naar die goede oude tijd.
Af en toe tenminste, niet te vaak. Niet vergeten dat het toen ook niet elke dag kermis was maar meestal hard werken, armoe, afzien. Kijk vooruit, blijf actief, het leven gaat door. Maak er een feest van. Geniet. Zolang het kan. Elke dag.
De Houthuizer molen in juli 2009. Alsof hij nooit is weggeweest.
woensdag 13 januari 2010
Ratelen
Ik heb hem nog steeds, mijn ouwe trouwe ratel. Rond 1955 met de hand gemaakt door timmerman Frans Peters in 't Voare. Een stuk antiek is het intussen, net als ik. Maar daar houdt de gelijkenis op want ik ben bij mijn weten niet gemaakt door Frans Peters. En vermoedelijk ook niet met de hand.
Meer dan een halve eeuw oud is hij en hij heeft minstens vijftien verhuizingen overleefd, maar hij ratelt nog als een slang. Ik moet wel toegeven dat hij weinig kilometers heeft gemaakt de afgelopen 50 jaar, want wat moet je met zo'n ding? Eens in de paar jaar kom ik hem tegen in een doos, ratel een paar slagen en leg hem weer terug.
Dat was anders in mijn lagere schoolperiode want toen moest hij elke witte donderdag aan de bak. Ratelen was jongenswerk, ik denk dat de meisjes gewoon school hadden op die dag.
Geiten noemden we die een beetje minachtend, stomme geiten. Ze konden niet voetballen, niet in een boom klimmen, je kon er helemaal niets mee. Pas toen we een jaar of 12 waren gingen we daar wat anders tegenaan kijken en werden ze plotseling een stuk interessanter. OK, voetballen konden ze niet maar misschien kon je er wel andere leuke dingen mee doen.
Mijn seksuele voorlichting heb ik van Wim van Ties gekregen. "Paul, wette geej woa de kiendjes vanaaf kómme?" Ik mompelde wat over een eitje in de buik van de moeder dat door een geheime bron bevrucht werd en na negen maanden ergens via een geheime uitgang ter wereld kwam. Want dat was me zo verteld. "Gaar nì woar", zei Wim, "die dekken, net as enne knie~n". Dat was een behoorlijke shock, maar toen ik daar even over nadacht moest ik toegeven dat die theorie heel aannemelijk klonk. Het duurde toen nog een hele tijd voor ik zover was dat ik die theorie in de praktijk kon toetsen, maar dat is weer een heel ander onderwerp. We hadden het over ratelen.
Bij dat ratelen daar hoorde ook een stok bij. Al weken van tevoren zochten we die uit in het bos en sneden er met een mes mooie versieringen in. En op witte donderdag verzamelden de jongens zich in de jongensschool en trokken vandaar, stok in de ene en de ratel in de andere hand, een eierkist en een grote geldknip, het dorp in en stroopten alle huizen en boerderijen af. Aan elke deur werd aangebeld of geklopt en dan begonnen we allemaal onze ratel rond te draaien zo hard we konden. De vrouw des huizes deed vervolgens de deur open en werd dan geacht een paar eieren in de kist te doen. Of, als ze geen kippen hadden, een paar dubbeltjes of stuivers in de knip.
Het dorp werd in vakken opgedeeld, Houthuizen, de Hei en het dorp meen ik en er trokken drie verschillende ratelgroepen op pad. Anders zou het natuurlijk nooit lukken op één dag. Geen enkel huis werd overgeslagen en op het einde van de middag keerden we met gevulde kisten en een volle knip terug naar school. In het fietsenhok werden de eieren en het geld geteld. Dan werd de buit eerlijk verdeeld en gingen alle ratelaars naar huis met een paar eieren voor Pasen en een paar dubbeltjes voor in de spaarpot.
Mooie traditie was dat. Afgeschaft waarschijnlijk. Bij de buren doen ze het nog wel want op de broekhuizen-broekhuizenvorst website vond ik deze foto uit 2007. Slap aftreksel van ons Lottumse ratelen van 50 jaar geleden: geen eierkisten, geen versierde stokken en van die mieterige rateltjes van de Hema. En zie ik daar achteraan zelfs een geit?
Meer dan een halve eeuw oud is hij en hij heeft minstens vijftien verhuizingen overleefd, maar hij ratelt nog als een slang. Ik moet wel toegeven dat hij weinig kilometers heeft gemaakt de afgelopen 50 jaar, want wat moet je met zo'n ding? Eens in de paar jaar kom ik hem tegen in een doos, ratel een paar slagen en leg hem weer terug.
Dat was anders in mijn lagere schoolperiode want toen moest hij elke witte donderdag aan de bak. Ratelen was jongenswerk, ik denk dat de meisjes gewoon school hadden op die dag.
Geiten noemden we die een beetje minachtend, stomme geiten. Ze konden niet voetballen, niet in een boom klimmen, je kon er helemaal niets mee. Pas toen we een jaar of 12 waren gingen we daar wat anders tegenaan kijken en werden ze plotseling een stuk interessanter. OK, voetballen konden ze niet maar misschien kon je er wel andere leuke dingen mee doen.
Mijn seksuele voorlichting heb ik van Wim van Ties gekregen. "Paul, wette geej woa de kiendjes vanaaf kómme?" Ik mompelde wat over een eitje in de buik van de moeder dat door een geheime bron bevrucht werd en na negen maanden ergens via een geheime uitgang ter wereld kwam. Want dat was me zo verteld. "Gaar nì woar", zei Wim, "die dekken, net as enne knie~n". Dat was een behoorlijke shock, maar toen ik daar even over nadacht moest ik toegeven dat die theorie heel aannemelijk klonk. Het duurde toen nog een hele tijd voor ik zover was dat ik die theorie in de praktijk kon toetsen, maar dat is weer een heel ander onderwerp. We hadden het over ratelen.
Bij dat ratelen daar hoorde ook een stok bij. Al weken van tevoren zochten we die uit in het bos en sneden er met een mes mooie versieringen in. En op witte donderdag verzamelden de jongens zich in de jongensschool en trokken vandaar, stok in de ene en de ratel in de andere hand, een eierkist en een grote geldknip, het dorp in en stroopten alle huizen en boerderijen af. Aan elke deur werd aangebeld of geklopt en dan begonnen we allemaal onze ratel rond te draaien zo hard we konden. De vrouw des huizes deed vervolgens de deur open en werd dan geacht een paar eieren in de kist te doen. Of, als ze geen kippen hadden, een paar dubbeltjes of stuivers in de knip.
Het dorp werd in vakken opgedeeld, Houthuizen, de Hei en het dorp meen ik en er trokken drie verschillende ratelgroepen op pad. Anders zou het natuurlijk nooit lukken op één dag. Geen enkel huis werd overgeslagen en op het einde van de middag keerden we met gevulde kisten en een volle knip terug naar school. In het fietsenhok werden de eieren en het geld geteld. Dan werd de buit eerlijk verdeeld en gingen alle ratelaars naar huis met een paar eieren voor Pasen en een paar dubbeltjes voor in de spaarpot.
Mooie traditie was dat. Afgeschaft waarschijnlijk. Bij de buren doen ze het nog wel want op de broekhuizen-broekhuizenvorst website vond ik deze foto uit 2007. Slap aftreksel van ons Lottumse ratelen van 50 jaar geleden: geen eierkisten, geen versierde stokken en van die mieterige rateltjes van de Hema. En zie ik daar achteraan zelfs een geit?
zaterdag 9 januari 2010
Margarine en zo
Zaalig neejjoar
Trek de kat aan de hoar
Trek d'n hónd aan de stárt
Daan ziede merge pikzwart.
Dat versje zegden wij vroeger op op nieuwjaarsdag. De achtergrond van die laatste regel heb ik nooit goed begrepen. Het slaat nergens op (het slaat als een l&l in een bord soep zeiden we in dienst), maar de dichter kon waarschijnlijk niets anders verzinnen dat rijmde op stárt. En 't rijmt niet eens. In de Melderse wel, daar zeggen ze zwárt, maar in Lottum noemen we dat gewoon zwart.
Márt rijmt wel op stárt: "Daan winde doe~zend gulde in Márt", had bv gekund, of "Daan vinde enne pot met gold in Márt".
Dezer dagen viel me ineens weer een gebeurtenis in uit 1957 of zo. Niets schokkends op wereldschaal, maar voor een tienjarige jongen toch wel een van de hoogtepunten van het jaar: een filmvoorstelling in de harmoniezaal. In een tijd toen er nog geen TV, video, DVD bestond en ik nog nooit van een bioscoop had gehoord.
Een film! Daar kon je in 1957 een kind net zo blij mee maken als die verwende apen van nu met een bezoek aan Disneyland Parijs.
Wat was het geval? Er kwam een nieuw margarinemerk op de markt, gelanceerd met een gigantische reclamecampagne. Op elk pakje zat een bonnetje dat je uit kon knippen en op een kaart plakken en een volle kaart gaf je toegang tot de filmvoorstelling in de harmoniezaal.
Toen wisten de reclamemakers blijbaar ook al dat je het beste de kinderen kunt inschakelen om de ouders over de streep te trekken. Er zal wat afgezeurd en gezanikt zijn in Lottum, in die tijd. Bij ons met succes: mijn moeder kocht een hele doos van die smurrie zodat we allemaal naar de film konden. En zo zal het bij de meeste families wel zijn gegaan want op de dag van de voorstelling zat de hele Lottumse jeugd vol verwachting in de harmoniezaal. Een zwart-wit film was het en ik meen dat een hond de hoofdrol speelde, een Duitse herder, maar dat weet ik niet meer zeker. Ik weet ook niet meer hoe de margarine heette (Lisco???) en wie hem verkocht. Was het melkboer Wilmsen Ties?
Die film was een slimme reclametruc maar die werkte maar tijdelijk want toen de doos opgesmeerd en gebraden was en er geen verdere films op het programma stonden keerden wij terug naar ons huismerk, het oude vertrouwde blue band (bleu band zei iedereen) van de VIVO.
Die VIVO van mijn tante Gretha en oom Hay was, zeker nadat mijn ouders in 1961 uit Lottum vertrokken, ook een beetje mijn thuis en daarom was ik heel blij met de foto's van de binnen- en buitenkant van de winkel die Frans Gommans me deze week toestuurde.
Hay en Gretha achter de toonbank
De winkel aan de markt
Frans is bezig met het tweede deel van het fotoboek over historisch Lottum en als ik het goed begrepen heb dan komen ze daar ook in te staan.
Dit kwam er even tussendoor. Volgende keer gaan we het echt hebben over het ratelen op witte donderdag.
zaterdag 12 december 2009
Gans reejen
Ik heb al een paar keer aangekondigd dat ik er mee ging stoppen, met dit blog. Dat alle Lottumse woorden al opgeschreven zijn en mijn herinneringen uitgeput. Maar dan valt me toch steeds weer wat in dat beslist behouden moet blijven voor het nageslacht.De Lottumse feesten bijvoorbeeld. Rozenfeest, Gekke Moandaag, Kermis, Pè-rdenmert. Die zijn er allemaal nog steeds en die kent iedereen, maar wie herinnert zich de oude gebruiken nog zoals het ratelen op Witte Donderdag? Of met liedjes langs de deuren op Driekoningen? De optocht van de onnozele kinderen. Of het gansrijden?
Dan werd er op de Markt, tegenover de VIVO winkel een soort galg gebouwd en daaraan werd een gans opgehangen, aan z'n poten, met de kop omlaag, een meter of drie boven de grond schat ik. De nek werd met een klodder vet ingesmeerd zodat hij lekker glad was.
En dan kwamen de ruiters in actie. Om de beurt galoppeerden ze in volle vaart op die gans af, grepen hem bij zijn nek en probeerden de kop er af te trekken. Wie hem aftrok mocht hem houden. De gans bedoel ik.
Maar dat viel nog lang niet mee. Zo'n gans zit stevig in elkaar en die nek was natuurlijk zo glad als snot. Het duurde een hele tijd en er moest heel wat aan gerukt en getrokken worden voor die kop losliet.
OK, die gans was dood, die voelde niets van al dat getrek aan zijn nek, maar het was toch een beetje een primitief, wreed schouwspel. Waarschijnlijk is het daarom afgeschaft. In Lottum tenminste, want ik schat dat ik het daar rond 1957 voor het laatst gezien heb.
Wordt vervolgd.
PS: die foto is niet in Lottum gemaakt, maar ergens in Vlaanderen. Daar schijnt in sommige dorpen het aftrekken van ganzekoppen nog steeds zeer populair te zijn. Lomperds.
zondag 6 december 2009
Tante An - deel 3
Ik weet niet meer wanneer het was, rond 1970 denk ik, toen An een hartaanval kreeg. Ze overleefde, maar van een sterke, onvermoeibare, hardwerkende vrouw veranderde ze in een kasplantje. Maar ondanks dat lichamelijke ongemak behield ze haar zonnige karakter en ze heeft nooit over haar toestand geklaagd.
Wat kan ik me nog meer over haar herinneren?
Haar groentesoep. Hò-fpaadsoep noemde Hay die: snel even door de groentetuin gerend en hier en daar wat groen geplukt, in de kookpot, maggiblokje erbij en klaar.
Dat Gritta en An 's zondagsmorgens samen achter de gordijnen zaten te spioneren wie er over de markt liepen en wat ze aanhadden: Môh, mótte kie-ke, die Nel hè-t alwir enne neeje jas. Maa-r, kie-k eur doa met ur paars bloesje. Die ment zeker dát ze nog 18 is. Enzovoorts.
Dat Maassen Leen vaak in de keuken kwam en dat er dan nog drukker gekwetterd werd dan anders. Mie van Schèr Piet kwam ook regelmatig binnen, maar die was altijd wat sjachrijnig en dan was de sfeer wat minder uitbundig.
Dat ze me altijd een Mars in de hand drukte, een merske zei ze, als ik 's zondags weer vertrok naar Oosterhout, Boskoop, Arnhem of de kazerne.
Dat we rond 1970 goede vrienden bleven en ze me accepteerde zoals ik was, ondanks dat ze mijn lange haren, mijn hippiekleren en -gedrag verschrikkelijk vond. Zij was vroom, conservatief, gezagsgetrouw en burgerlijk. Ik was in alles het tegenovergestelde.
In 1968 overleed Hay. An kon weinig hulp bieden in de zaak vanwege haar zwakke hart. Gretha had een versleten heup en kon niet goed meer uit de voeten. Kortom, allemaal ellende en Gretha besloot de VIVO winkel aan de kant te doen en haar heup te laten opereren.
Een paar jaar later overleed Gretha’s schoonzus, de vrouw van Sraar Jonkers in Broekhuizenvorst. Sraar maakte van de nood een deugd en deed Gretha een huwelijksaanzoek. An kreeg hij op de koop toe. Markt 14 werd verkocht (voor f90.000 meen ik) en de zussen verhuisden naar de bungalow van Sraar in de Mgr Hansenstraat in Broekhuizenvorst.
Een paar jaar hebben ze daar gezellig samengewoond, maar toen begon het bergaf te gaan met alledrie. Eerst overleed Sraar en niet lang daarna begon An's hart het definitief op te geven. Ze belandde in het ziekenhuis in Venlo en zakte langzaam weg in een coma. Op een nacht, ergens in 1980 denk ik, is ze vredig overleden.
Ik geloof niet in een hemel, maar zou hij toch bestaan dan zit tante An er zeker in. Op een ereplaats, vooraan op de eerste rij. Tussen de engelen. Naast de voorzitter.
Wat kan ik me nog meer over haar herinneren?
Haar groentesoep. Hò-fpaadsoep noemde Hay die: snel even door de groentetuin gerend en hier en daar wat groen geplukt, in de kookpot, maggiblokje erbij en klaar.
Dat Gritta en An 's zondagsmorgens samen achter de gordijnen zaten te spioneren wie er over de markt liepen en wat ze aanhadden: Môh, mótte kie-ke, die Nel hè-t alwir enne neeje jas. Maa-r, kie-k eur doa met ur paars bloesje. Die ment zeker dát ze nog 18 is. Enzovoorts.
Dat Maassen Leen vaak in de keuken kwam en dat er dan nog drukker gekwetterd werd dan anders. Mie van Schèr Piet kwam ook regelmatig binnen, maar die was altijd wat sjachrijnig en dan was de sfeer wat minder uitbundig.
Dat ze me altijd een Mars in de hand drukte, een merske zei ze, als ik 's zondags weer vertrok naar Oosterhout, Boskoop, Arnhem of de kazerne.
Dat we rond 1970 goede vrienden bleven en ze me accepteerde zoals ik was, ondanks dat ze mijn lange haren, mijn hippiekleren en -gedrag verschrikkelijk vond. Zij was vroom, conservatief, gezagsgetrouw en burgerlijk. Ik was in alles het tegenovergestelde.
In 1968 overleed Hay. An kon weinig hulp bieden in de zaak vanwege haar zwakke hart. Gretha had een versleten heup en kon niet goed meer uit de voeten. Kortom, allemaal ellende en Gretha besloot de VIVO winkel aan de kant te doen en haar heup te laten opereren.
Een paar jaar later overleed Gretha’s schoonzus, de vrouw van Sraar Jonkers in Broekhuizenvorst. Sraar maakte van de nood een deugd en deed Gretha een huwelijksaanzoek. An kreeg hij op de koop toe. Markt 14 werd verkocht (voor f90.000 meen ik) en de zussen verhuisden naar de bungalow van Sraar in de Mgr Hansenstraat in Broekhuizenvorst.
Een paar jaar hebben ze daar gezellig samengewoond, maar toen begon het bergaf te gaan met alledrie. Eerst overleed Sraar en niet lang daarna begon An's hart het definitief op te geven. Ze belandde in het ziekenhuis in Venlo en zakte langzaam weg in een coma. Op een nacht, ergens in 1980 denk ik, is ze vredig overleden.
Ik geloof niet in een hemel, maar zou hij toch bestaan dan zit tante An er zeker in. Op een ereplaats, vooraan op de eerste rij. Tussen de engelen. Naast de voorzitter.
Abonneren op:
Posts (Atom)



.jpg)
.jpg)