Marianne Verstraaten stuurde me van de week nog de volgende historische Lottumse gebeurtenissen toe:
Wij hadden als een van de eersten in Lottum telefoon en mensen kwamen vaak in de winkel vragen of Mam even voor hen wilde bellen. Zo ook voor Vrouw Strijbosch(?). Op een bepaald moment werd aan ons Mam gevraagd om de naam te spellen, dus ze begon met: Simon, Theodoor, Rudolf enz. totdat ze onderbroken werd door Vrouw Strijbosch met de kreet: "Vrouw Verstroate, schei oet, zoe heite mien kiender gaar neet”.
Mam moest voor een boer bellen om te vragen wanneer Nico van Meelen langs kwam. Het was een beetje een onduidelijk gesprek waarop Mam zei: "Zeg nou eens wanneer we deze heer kunnen verwachten". Bleek Nico van Meelen een fokstier te zijn. De boer heeft weken gelachen om dit misverstand.
De uitspraak van Stoëpe An toen er een straatlantaarn net voor hun slaapkamerraam werd geplaatst: Piet en ik kunnen elkaar now de ganse nach kloar zeen ligge.
En op de vraag waarom ze geen kinderen had: “Piet en ik zien laat getrouwd. Joamer, ik haaj gaer kiender gehad en Piet is ok hiel kienderechtig”.
Ken je trouwens de gevleugelde uitspraak van Meges (Sauvageot) Frits? Het volgende is natuurlijk niet waar, maar is altijd weer leuk om te vertellen. Frits werd gevraagd voor een rol in de Passiespelen van Tegelen. Hij zou Judas moeten spelen. Maar bij de eerste repetitie ging het al mis. Op de vraag: "Judas, hebt gij Jezus voor dertig zilverlingen verraden?" antwoordde Frits: "Wae zaet daat!"
In de beginjaren vijftig, toen nog bijna iedereen een "huuske" had met als WC-papier een spijker met reepjes krantenpapier erop, had de Edah destijds als speciale aanbieding van de week: 10 rollen closetpapier halen, 5 betalen (of zoiets). Er kwam een vrouw in de winkel en vroeg om 50 rollen closetpapier. Toen ons Mam vroeg wat ze nou in 's hemelsnaam met zoveel closetpapier moest doen, antwoordde ze: "Kiek, Vrouw Verstroate, ik heb meej daat ens oetgemaete, maar ik dooch, det is net genôg om ut klein kaemerke te behange".
Ons Mam kwam eens bij bakkerij Smits om een brood te kopen. Dat was nog in het oude winkeltje. Er kwam niemand om te helpen, dus Mam deed de deur nogmaals open en dicht om het pingelbelletje nog eens te laten gaan. Weer geen reactie. Uiteindelijk ging er achter in het gangetje een deur open en kwam Vrouw Smits naar buiten, haar rokken naar beneden trekkend met de woorden: "Aaltied as ge op het huuske zit, kômme der minse".
Wij hebben die dag thuis brood gegeten zonder korstjes.....
En dan kondigde ze nog aan dat Huub van d’n Edah binnenkort uit Thailand op bezoek kwam en dat die een hoop smeuïge verhalen over een hoop mensen in Lottum wist. Die verhalen gaat ze opschrijven en mij toesturen en die komen dan allemaal hier te staan. Iedereen is bij deze dus alvast gewaarschuwd.
zaterdag 25 april 2009
Polly
Polly helemaal vergeten, mijn eerste hondje. Daar moet ik het toch ook nog even over hebben.
Mijn vader kwam met hem aanzetten, uit Utrecht, afgedankt door een of ander familielid. Februari 1952 was het, in de tijd van de watersnoodramp in Zeeland. Die heeft hier verder niets mee te maken maar ik herinner me nog dat mijn moeder Polly en mij vertelde over de overstromingen en de mensen die verdronken waren.
Mijn vader kwam met hem aanzetten, uit Utrecht, afgedankt door een of ander familielid. Februari 1952 was het, in de tijd van de watersnoodramp in Zeeland. Die heeft hier verder niets mee te maken maar ik herinner me nog dat mijn moeder Polly en mij vertelde over de overstromingen en de mensen die verdronken waren.
Totaal onverwacht en onaangekondigd kwam Polly ons gezin binnen; wat een verrassing en wat was ik blij met hem! Vier jaar was ik, we werden snel onafscheidelijk, Polly en ik, en ik wandelde elke dag met hem aan een geel riempje in de tuin en voor ons huis, Horsterdijk 3.
Een spierwitte keeshond was het met lange haren. Daar vielen er wel eens een paar van uit en dat was het probleem. Voor mijn moeder tenminste, die was na een tijdje die haren op de vloer en de meubels spuugzat en pa werd met Polly en al weer op de trein naar Utrecht gezet. Pa mocht terugkomen. Polly niet.
Mij werd niets gevraagd, de meubels waren blijkbaar belangrijker dan de gevoelens van Polly en mij. Dat mijn kinderzieltje voor de rest van mijn leven ernstig getraumatiseerd raakte maakte ze niks uit. Wie weet, als ik mijn innige band met Polly verder had kunnen ontwikkelen was ik als volwassene misschien veel beter in staat geweest om harmonieuze relaties op te bouwen.
Een dikke 20 jaar later had ik voor het eerst een eigen huis en wat kocht ik als eerste .........? Mis! Nee, geen keeshond, dat kon ik zelf wel, daar had ik geen hond voor nodig, maar wel een Duitse herder. Wodka heette die, genoemd naar de hond van Jan Cremer, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Toen mijn dochter een tijd geleden over een hondje begon te zeuren moest ik meteen aan mijn jeugd-hondentrauma denken. Je moet voorzichtig zijn met zo'n teer kinderzieltje en daarom hebben we direct zo’n wit pluisje voor haar aangeschaft. Sindsdien zijn ze onafscheidelijk, zie foto.
Een spierwitte keeshond was het met lange haren. Daar vielen er wel eens een paar van uit en dat was het probleem. Voor mijn moeder tenminste, die was na een tijdje die haren op de vloer en de meubels spuugzat en pa werd met Polly en al weer op de trein naar Utrecht gezet. Pa mocht terugkomen. Polly niet.
Mij werd niets gevraagd, de meubels waren blijkbaar belangrijker dan de gevoelens van Polly en mij. Dat mijn kinderzieltje voor de rest van mijn leven ernstig getraumatiseerd raakte maakte ze niks uit. Wie weet, als ik mijn innige band met Polly verder had kunnen ontwikkelen was ik als volwassene misschien veel beter in staat geweest om harmonieuze relaties op te bouwen.
Een dikke 20 jaar later had ik voor het eerst een eigen huis en wat kocht ik als eerste .........? Mis! Nee, geen keeshond, dat kon ik zelf wel, daar had ik geen hond voor nodig, maar wel een Duitse herder. Wodka heette die, genoemd naar de hond van Jan Cremer, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Toen mijn dochter een tijd geleden over een hondje begon te zeuren moest ik meteen aan mijn jeugd-hondentrauma denken. Je moet voorzichtig zijn met zo'n teer kinderzieltje en daarom hebben we direct zo’n wit pluisje voor haar aangeschaft. Sindsdien zijn ze onafscheidelijk, zie foto.
En nou wil ze ook nog een paard! Maar daar kan ze mooi naar fluiten want van een jeugd-paardentrauma kan ik me niets herinneren.
dinsdag 21 april 2009
Lottumse lompigheden
Laten we maar eerlijk zijn: de meest elegante taal is het niet, dat Lottums. Het komt er allemaal een beetje lomp uit, vind ik. "Godde geej merge meij nao Oeldere?". Dat klinkt toch niet? Zeg eens "ciao" of "arrivederci", en dan: "hojje wah". Hoor je het verschil?
En het is niet alleen de wat rommelige verpakking van de boodschap, Lottummers hebben, of hadden vroeger in elk geval, in de omgeving sowieso de reputatie een beetje lomp aangelegd te zijn. Verschillende voorbeelden heb ik al eens genoemd: "dát 't zò zekt, mère Angèle", "Burgemeister wát zoepte?", "Dôt meej ma en glaas van dèn dieke gèle stieve".
Kö-k voor limonadegazeuse, of koontepapeer voor toiletpapier.
Of de versiermethode van sommige Lottumse casanova's. Ik zal hier geen namen noemen, maar er waren midden 60-er jaren figuren die bij Het Brugeind in Meerlo de hele avond aan de bar hingen en tegen het eind van het bal de vloer opkwamen, naar een tafel met meisjes waggelden en dan riepen: "hey, dekken?"
De directe benadering dus, recht op het doel af. Ze draaiden er niet omheen, dat moet ik ze wel nageven, maar ik heb nooit gezien dat die aanpak werkte, dat iemand haar vinger opstak en zich aanmeldde. Er zijn volgens mij meer kansrijke methodes om romantische gevoelens op te wekken in jonge meisjesharten.
De volgende charmante conversatie komt ook uit Lottum: "Mientje, hedde kalde hand?" "Joa." "Dán kóm ma hee-r en werm ze ma án miene piemel."
Vic Keltjens (Kelkes Fiek) was prins met Gekke Moandaag in 1960 of zo en sloot zijn toespraak op de Markt tot zijn Lottumse onderdanen af met: "Zoeë, en nou hò~p ik daat geej allemoal zoept tot de koont ów krákt!
Marianne Verstraaten schreef me pas over haar traumatische ervaringen met sommige heren die om één uur 's nachts, als de café's dichtgingen, ladderzat en hongerig het Straatex cafetaria binnenwaggelden. En die zij, als pril tienermeisje, dan moest bedienen. En hun opmerkingen aanhoren. En hun handtastelijke advances afweren. Ik kan me wel een beetje voorstellen hoe die conversaties verliepen en waar ze over gingen. Vast en zeker geen verheven, filosofische onderwerpen.
Lotumse lomperikken waren het, maar ik heb er in elk geval weer een bijdrage mee volgekregen.
En het is niet alleen de wat rommelige verpakking van de boodschap, Lottummers hebben, of hadden vroeger in elk geval, in de omgeving sowieso de reputatie een beetje lomp aangelegd te zijn. Verschillende voorbeelden heb ik al eens genoemd: "dát 't zò zekt, mère Angèle", "Burgemeister wát zoepte?", "Dôt meej ma en glaas van dèn dieke gèle stieve".
Kö-k voor limonadegazeuse, of koontepapeer voor toiletpapier.
Of de versiermethode van sommige Lottumse casanova's. Ik zal hier geen namen noemen, maar er waren midden 60-er jaren figuren die bij Het Brugeind in Meerlo de hele avond aan de bar hingen en tegen het eind van het bal de vloer opkwamen, naar een tafel met meisjes waggelden en dan riepen: "hey, dekken?"
De directe benadering dus, recht op het doel af. Ze draaiden er niet omheen, dat moet ik ze wel nageven, maar ik heb nooit gezien dat die aanpak werkte, dat iemand haar vinger opstak en zich aanmeldde. Er zijn volgens mij meer kansrijke methodes om romantische gevoelens op te wekken in jonge meisjesharten.
De volgende charmante conversatie komt ook uit Lottum: "Mientje, hedde kalde hand?" "Joa." "Dán kóm ma hee-r en werm ze ma án miene piemel."
Vic Keltjens (Kelkes Fiek) was prins met Gekke Moandaag in 1960 of zo en sloot zijn toespraak op de Markt tot zijn Lottumse onderdanen af met: "Zoeë, en nou hò~p ik daat geej allemoal zoept tot de koont ów krákt!
Marianne Verstraaten schreef me pas over haar traumatische ervaringen met sommige heren die om één uur 's nachts, als de café's dichtgingen, ladderzat en hongerig het Straatex cafetaria binnenwaggelden. En die zij, als pril tienermeisje, dan moest bedienen. En hun opmerkingen aanhoren. En hun handtastelijke advances afweren. Ik kan me wel een beetje voorstellen hoe die conversaties verliepen en waar ze over gingen. Vast en zeker geen verheven, filosofische onderwerpen.
Lotumse lomperikken waren het, maar ik heb er in elk geval weer een bijdrage mee volgekregen.
zondag 5 april 2009
Los (2)
Tussen pakweg mijn 10de en 18de ben ik veel met Sef Keltjens opgetrokken, helpen in de bakkerij en samen brood en gebak bezorgen door het hele dorp. Daar werd altijd veel bij gepraat en veel gelachen.
Hij was bij de harmonie en speelde klarinet, mijn favoriete instrument zoals ik een paar weken geleden heb uitgelegd. De harmonie ging een keer spelen in Lomm. Of Arcen misschien, in elk geval moesten ze met de pont de Maas over. De Maas stond hoog en terwijl ze op de pont stonden te wachten kwam er een zwaar beladen grintschip voorbij, het dek nog net 10 cm boven water. “Motte doa ‘s kie~ke” zei Nölkes Funs, “as de Maas nog en bietje hoeëger kump dá get dèn oonder”.
Van toe~te en bloaze had hij meer verstand dan van natuurkunde.
“Pech gehad vandaag: twiëe pè~rd kapot en vader” heeft een anonieme Lottumse boerenzoon misschien ooit eens een keer gezegd. Volgens Sef.
Toen vrienden een pas getrouwde boer vroegen hoe zijn nieuwe vrouw beviel zei hij: “och, vur op het land is ze good”. Ook volgens Sef, maar welke boer zei hij er niet bij.
Twee Meldersesese jongens:
1: Gisteren is miene fiets umgevalle.
2: O~oh, woddewada?
1: Nè~h.
2: Oekatata?
D’n Bout werkte bij hovenier Jonkers in Venlo en moest met een paar collega’s een wagen met houten paaltjes afladen en naar een schuur dragen. Zijn collega’s liepen met armen vol paaltjes op en neer, maar d’n Bout droeg er steeds maar twee, in elke hand één. “Ik bin nì zò lui as die andere” zei hij, “ik loeëp gèr wát dukker op en neer.”
Gepensioneerd zijn valt nog niet altijd mee. Wat moet je doen met al die tijd, elke dag maar weer. Van pure verveling ging Koeëpmans Sjang af en toe maar eens wat aan de Maas kijken. Hij had een auto, maar was nog niet helemaal gewend aan de snelheid van het moderne verkeer. Als hij naar de Maas ging maakte hij altijd eerst de poort open, liep de straat op, keek goed links en rechts of er wat aan kwam, liep dan naar de garage, stapte in zijn auto en reed zonder verder nog te kijken de straat op en naar de Maas toe. In de eerste versnelling. Sneller dan 8 km/uur of zo heeft die auto nooit gereden.
Een van de jongens van Vosbeek was zó sterk, hij wedde dat hij, zittend op een melktuit, zichzelf met tuit en al de lucht in kon tillen. Die had ook al niet goed opgelet bij de natuurkundeles.
Optillen = ophöffen in het Lottums, dat woord was ik vergeten.
Een bijzondere jeugdherinnering aan Lottum zijn de pijnwegbidders. Braam kon het, en kapper Gerrit Driessen en Hoete Jeu. Jeu was een multi-functionele bidder: hij kon ook wratten wegbidden @ 1 dubbeltje per wrat.
Of het echt werkte? Ik weet het niet. Maar ik was er bij toen rond 1959 een van de (toen) kleine jongens van Breukers Chène (Ruud of Denie) zich flink brandde met kokend water en brulde van de pijn. Chène sprong in de auto, reed naar Hoete Jeu en 10 minuten later lag de jongen rustig te slapen.
Pijn wegbidden is typisch Lottums denk ik, ik ben het verder nergens op de hele wereld nog tegengekomen.
Hij was bij de harmonie en speelde klarinet, mijn favoriete instrument zoals ik een paar weken geleden heb uitgelegd. De harmonie ging een keer spelen in Lomm. Of Arcen misschien, in elk geval moesten ze met de pont de Maas over. De Maas stond hoog en terwijl ze op de pont stonden te wachten kwam er een zwaar beladen grintschip voorbij, het dek nog net 10 cm boven water. “Motte doa ‘s kie~ke” zei Nölkes Funs, “as de Maas nog en bietje hoeëger kump dá get dèn oonder”.
Van toe~te en bloaze had hij meer verstand dan van natuurkunde.
“Pech gehad vandaag: twiëe pè~rd kapot en vader” heeft een anonieme Lottumse boerenzoon misschien ooit eens een keer gezegd. Volgens Sef.
Toen vrienden een pas getrouwde boer vroegen hoe zijn nieuwe vrouw beviel zei hij: “och, vur op het land is ze good”. Ook volgens Sef, maar welke boer zei hij er niet bij.
Twee Meldersesese jongens:
1: Gisteren is miene fiets umgevalle.
2: O~oh, woddewada?
1: Nè~h.
2: Oekatata?
D’n Bout werkte bij hovenier Jonkers in Venlo en moest met een paar collega’s een wagen met houten paaltjes afladen en naar een schuur dragen. Zijn collega’s liepen met armen vol paaltjes op en neer, maar d’n Bout droeg er steeds maar twee, in elke hand één. “Ik bin nì zò lui as die andere” zei hij, “ik loeëp gèr wát dukker op en neer.”
Gepensioneerd zijn valt nog niet altijd mee. Wat moet je doen met al die tijd, elke dag maar weer. Van pure verveling ging Koeëpmans Sjang af en toe maar eens wat aan de Maas kijken. Hij had een auto, maar was nog niet helemaal gewend aan de snelheid van het moderne verkeer. Als hij naar de Maas ging maakte hij altijd eerst de poort open, liep de straat op, keek goed links en rechts of er wat aan kwam, liep dan naar de garage, stapte in zijn auto en reed zonder verder nog te kijken de straat op en naar de Maas toe. In de eerste versnelling. Sneller dan 8 km/uur of zo heeft die auto nooit gereden.
Een van de jongens van Vosbeek was zó sterk, hij wedde dat hij, zittend op een melktuit, zichzelf met tuit en al de lucht in kon tillen. Die had ook al niet goed opgelet bij de natuurkundeles.
Optillen = ophöffen in het Lottums, dat woord was ik vergeten.
Een bijzondere jeugdherinnering aan Lottum zijn de pijnwegbidders. Braam kon het, en kapper Gerrit Driessen en Hoete Jeu. Jeu was een multi-functionele bidder: hij kon ook wratten wegbidden @ 1 dubbeltje per wrat.
Of het echt werkte? Ik weet het niet. Maar ik was er bij toen rond 1959 een van de (toen) kleine jongens van Breukers Chène (Ruud of Denie) zich flink brandde met kokend water en brulde van de pijn. Chène sprong in de auto, reed naar Hoete Jeu en 10 minuten later lag de jongen rustig te slapen.
Pijn wegbidden is typisch Lottums denk ik, ik ben het verder nergens op de hele wereld nog tegengekomen.
zondag 29 maart 2009
Los (1)

Friese doorlopers
Zo maar wat losse herinneringen. Deze b.v., ooit gehoord van mijn tante Gretha Jonkers: Toon Rutten kwam op oudjaarsdag bij haar in de VIVO winkel. “En, Toëen, godde geej vanaovend ok neejjoar aankaarte?” “Nè~è” zei Toëen, “doa heb ik gen zin mer ì; ik heb al hoonderde kiere neejjoar aangekaart.”
Hij zal toen hoogstens 60 zijn geweest, dus volgens mij zat er een fout in zijn berekening. Hij was aannemer en ik hoop dat hij beter de tel bij kon houden als hij de kosten van een huis calculeerde. Misschien had ik nu nog in Lottum gewoond als Toëen wat anders geteld had. Rond 1960 wilde mijn pa een huis bouwen op het stuk naast Donners dat later gekocht is door Jeu en Truus Meyboom. Pierre Keiren had een tekening gemaakt, een mooi vrijstaand, helemaal onderkelderd huis. Pa had vijfentwintigduizend gulden in de portemonnee, meer mocht het niet kosten. Het werd een eerste keer aanbesteed maar was veel te duur. Pierre schaafde hier en daar wat van de kamers en de keuken af en het werd nog eens aanbesteed: f28.000. Het bouwproject werd afgeblazen.
Kort daarna verhuisden we naar Oosterhout en daar kocht hij een rijtjeshuis voor f28.000. Wat zou er gebeurd zijn als Rutten wat lager ingeschreven had? Als we net een nieuw huis gebouwd hadden waren we waarschijnlijk niet uit Lottum vertrokken en dan was er een goeie kans dat ik nu in dat huis gewoond had.
In 1951 of zo hadden we een strenge winter. De Maas was dichtgevroren en ik ben toen als kleutertje van 3 jaar aan de hand van Dora Renkens op en neer de Maas overgelopen. Is dat sindsdien nog eens gebeurd? Dat de Maas dichtgevroren is?
Ik kan me nog wel een keer herinneren, in 1957 of zo, dat er ijsschotsen in de Maas dreven en dat in Houthuizen een paar jongens (Ger en Wiel Clevers?) springend van schots naar schots naar de overkant gingen en terug.
Ik weet niet of het echt zo is, maar in mijn herinnering konden we vroeger elke winter schaatsen. De Lottumse ijsbanen waren Bartelskoel, Pastoorskoel, de grachten van d’n Borggraaf en de Krómmen Toe~n, een ondergelopen stuk wei langs de Maas. En als het echt hard gevroren had, het Broekhuizer schuitwater. Het Lottumse schuitwater vroor nooit goed dicht omdat er “sprungen” inzaten.
Schaatsen kocht je bij schoester Funs van Dijk: korte botjes of Friese doorlopers met zo’n lange uitstekende punt, die je met katoenen veters onder je laarzen of schoenen vastbond. Een passende naam hadden ze; het was inderdaad meer lopen dan schaatsen met die dingen. Mijn pa was een schaatsliefhebber en kocht schaatsjes voor me toen ik 3 was en leerde me daarop schaatsen. Ik kon al schaatsen voor ik fatsoenlijk kon lopen. Nou ja, schaatsen is een groot woord denk ik, het zal wel krabbelen zijn geweest, of in het Lottums: schravelen. Die schaatsjes heb ik lang bewaard, een cm of 12 lang schat ik, maar ze zijn bij een verhuizing een keer verdwenen.
Hij zal toen hoogstens 60 zijn geweest, dus volgens mij zat er een fout in zijn berekening. Hij was aannemer en ik hoop dat hij beter de tel bij kon houden als hij de kosten van een huis calculeerde. Misschien had ik nu nog in Lottum gewoond als Toëen wat anders geteld had. Rond 1960 wilde mijn pa een huis bouwen op het stuk naast Donners dat later gekocht is door Jeu en Truus Meyboom. Pierre Keiren had een tekening gemaakt, een mooi vrijstaand, helemaal onderkelderd huis. Pa had vijfentwintigduizend gulden in de portemonnee, meer mocht het niet kosten. Het werd een eerste keer aanbesteed maar was veel te duur. Pierre schaafde hier en daar wat van de kamers en de keuken af en het werd nog eens aanbesteed: f28.000. Het bouwproject werd afgeblazen.
Kort daarna verhuisden we naar Oosterhout en daar kocht hij een rijtjeshuis voor f28.000. Wat zou er gebeurd zijn als Rutten wat lager ingeschreven had? Als we net een nieuw huis gebouwd hadden waren we waarschijnlijk niet uit Lottum vertrokken en dan was er een goeie kans dat ik nu in dat huis gewoond had.
In 1951 of zo hadden we een strenge winter. De Maas was dichtgevroren en ik ben toen als kleutertje van 3 jaar aan de hand van Dora Renkens op en neer de Maas overgelopen. Is dat sindsdien nog eens gebeurd? Dat de Maas dichtgevroren is?
Ik kan me nog wel een keer herinneren, in 1957 of zo, dat er ijsschotsen in de Maas dreven en dat in Houthuizen een paar jongens (Ger en Wiel Clevers?) springend van schots naar schots naar de overkant gingen en terug.
Ik weet niet of het echt zo is, maar in mijn herinnering konden we vroeger elke winter schaatsen. De Lottumse ijsbanen waren Bartelskoel, Pastoorskoel, de grachten van d’n Borggraaf en de Krómmen Toe~n, een ondergelopen stuk wei langs de Maas. En als het echt hard gevroren had, het Broekhuizer schuitwater. Het Lottumse schuitwater vroor nooit goed dicht omdat er “sprungen” inzaten.
Schaatsen kocht je bij schoester Funs van Dijk: korte botjes of Friese doorlopers met zo’n lange uitstekende punt, die je met katoenen veters onder je laarzen of schoenen vastbond. Een passende naam hadden ze; het was inderdaad meer lopen dan schaatsen met die dingen. Mijn pa was een schaatsliefhebber en kocht schaatsjes voor me toen ik 3 was en leerde me daarop schaatsen. Ik kon al schaatsen voor ik fatsoenlijk kon lopen. Nou ja, schaatsen is een groot woord denk ik, het zal wel krabbelen zijn geweest, of in het Lottums: schravelen. Die schaatsjes heb ik lang bewaard, een cm of 12 lang schat ik, maar ze zijn bij een verhuizing een keer verdwenen.
zaterdag 28 maart 2009
Boerendorp
“Lottum is een boerendorp; mijn vader trouwens ook”, schreef een van mijn pa’s leerlingen in een opstel. En afgezien van de taalfout klopte dat precies. Tot en met de 60-er jaren tenminste, toen er nog boerderijen stonden midden in het dorp, met koeien en varkens en kippen en al. De boerderijen van Breukers René en Broekmans Toeën, bv aan de Markt. En tegenover de kerk, waar De Smetenhof gebouwd is, stond de boerderij van Bartels Kuëp met Bartels’ koel, waar we ’s winters op schaatsten. Achter de kerk was de boerderij van Coenders (Clever Jan). Wat verder weg van de Markt, achter het Spuitenhuuske op de Broekhuizerweg had je Vergeldt (Stökers), vooraan op de Horsterdijk Vosbeek en Thielen en in de Hoofdstraat, tegenover het klooster stond de boerderij van Van de Pasch (Lemmens). Schuin daar tegenover, naast het klooster was de boerderij van fruitboer Obers.
En ook kwekers: Keltjens Vic, Cremers en Koopmans Sjang aan de Markt en Muijsers en Zegers aan de Broekhuizerweg. Van Soest (Stoeëpen) had je ook nog aan de Hoofdstraat, naast de plek waar nu de Rabobank staat, tegenover Thilot, maar ik weet niet meer wat die precies deed.
Die boeren en kwekers zijn allemaal weg uit het centrum. Jammer. Ik ben benieuwd naar het “Fotoboek Lottum” dat Frans Gommans in mei gaat uitgeven en ik hoop dat er veel foto’s in staan van het Lottum uit mijn jeugd: de gebouwen en de mensen die er in woonden.
Ik weet het niet, zijn er nog echte boeren in Lottum? Met koeien in de stal en rogge, bieten en mais op het land? Een paar varkensfabrieken moeten er nog wel zijn want die ruik je als je door het dorp fietst, maar de meeste boerenzonen zijn geen boer meer denk ik. Het zijn kwekers geworden, maar ondanks dat ze geen boer meer zijn, boeren ze nog steeds goed want ik zie overal grote huizen staan met dikke auto’s voor de deur.
Van mijn lagere schoolklas mochten drie jongens naar de middelbare school, vond de meester van de zesde klas (mijn pa): Harry van de Pasch, René Breukers en ik. René ging naar de HBS in Venray en Harry en ik naar het Thomascollege in Venlo. Niet dat ik spijt heb van die keuze, maar als het om geld verdienen gaat dan had hij me beter naar de land- en tuinbouwschool in Horst kunnen sturen denk ik. Dan had ik nou misschien ook in een groot huis in Lottum gewoond met een park van een tuin er omheen en drie grote auto’s voor de deur. Met een baantje als leraar of gemeenteambtenaar of ingenieur bij de heidemij (waar ik later terecht kwam) woon je in een rijtjeshuis met een klein tuintje voor en achter en een tweedehands Opel Astra voor de deur.
Ik heb het gymnasium niet afgemaakt, gedeeltelijk als gevolg van onze verhuizing uit Lottum in 1962, gedeeltelijk doordat de nieuwe school in Oosterhout me niet beviel, maar ik zal maar niet teveel smoesjes vertellen: hoofdzakelijk door mijn eigen luiheid. Van 1963 – 67 heb ik de middelbare tuinbouwschool in Boskoop gedaan, moest toen in dienst, heb 2 jaar bij de heidemij gewerkt, daarna de HTS W&W in Tilburg gedaan, vervolgens bij diverse ingenieursbureau’s en aannemers gewerkt en sinds een dikke 3 jaar ben ik ambtenaar bij de Europese Commissie.
René heb ik op het afgelopen rozenfeest gesproken. Hij is na de HBS niet verder gaan studeren en hij vertelde me dat hij maar één baan heeft gehad: administrateur op de HTS in Venlo. Hoe Harry van de Pasch het gedaan heeft en wat er van hem geworden is, weet ik niet.
Ik heb nog één of twee of misschien drie berichten over Lottum in mijn hoofd zitten. In de paasvakantie ga ik een week lui aan het strand liggen in Zanzibar en dan zal ik eens nadenken over mijn volgende blog.
Van Broekmans Toeën zijn we intussen in Zanzibar aangekomen. Ver genoeg voor vandaag. Morgen verder.
En ook kwekers: Keltjens Vic, Cremers en Koopmans Sjang aan de Markt en Muijsers en Zegers aan de Broekhuizerweg. Van Soest (Stoeëpen) had je ook nog aan de Hoofdstraat, naast de plek waar nu de Rabobank staat, tegenover Thilot, maar ik weet niet meer wat die precies deed.
Die boeren en kwekers zijn allemaal weg uit het centrum. Jammer. Ik ben benieuwd naar het “Fotoboek Lottum” dat Frans Gommans in mei gaat uitgeven en ik hoop dat er veel foto’s in staan van het Lottum uit mijn jeugd: de gebouwen en de mensen die er in woonden.
Ik weet het niet, zijn er nog echte boeren in Lottum? Met koeien in de stal en rogge, bieten en mais op het land? Een paar varkensfabrieken moeten er nog wel zijn want die ruik je als je door het dorp fietst, maar de meeste boerenzonen zijn geen boer meer denk ik. Het zijn kwekers geworden, maar ondanks dat ze geen boer meer zijn, boeren ze nog steeds goed want ik zie overal grote huizen staan met dikke auto’s voor de deur.
Van mijn lagere schoolklas mochten drie jongens naar de middelbare school, vond de meester van de zesde klas (mijn pa): Harry van de Pasch, René Breukers en ik. René ging naar de HBS in Venray en Harry en ik naar het Thomascollege in Venlo. Niet dat ik spijt heb van die keuze, maar als het om geld verdienen gaat dan had hij me beter naar de land- en tuinbouwschool in Horst kunnen sturen denk ik. Dan had ik nou misschien ook in een groot huis in Lottum gewoond met een park van een tuin er omheen en drie grote auto’s voor de deur. Met een baantje als leraar of gemeenteambtenaar of ingenieur bij de heidemij (waar ik later terecht kwam) woon je in een rijtjeshuis met een klein tuintje voor en achter en een tweedehands Opel Astra voor de deur.
Ik heb het gymnasium niet afgemaakt, gedeeltelijk als gevolg van onze verhuizing uit Lottum in 1962, gedeeltelijk doordat de nieuwe school in Oosterhout me niet beviel, maar ik zal maar niet teveel smoesjes vertellen: hoofdzakelijk door mijn eigen luiheid. Van 1963 – 67 heb ik de middelbare tuinbouwschool in Boskoop gedaan, moest toen in dienst, heb 2 jaar bij de heidemij gewerkt, daarna de HTS W&W in Tilburg gedaan, vervolgens bij diverse ingenieursbureau’s en aannemers gewerkt en sinds een dikke 3 jaar ben ik ambtenaar bij de Europese Commissie.
René heb ik op het afgelopen rozenfeest gesproken. Hij is na de HBS niet verder gaan studeren en hij vertelde me dat hij maar één baan heeft gehad: administrateur op de HTS in Venlo. Hoe Harry van de Pasch het gedaan heeft en wat er van hem geworden is, weet ik niet.
Ik heb nog één of twee of misschien drie berichten over Lottum in mijn hoofd zitten. In de paasvakantie ga ik een week lui aan het strand liggen in Zanzibar en dan zal ik eens nadenken over mijn volgende blog.
Van Broekmans Toeën zijn we intussen in Zanzibar aangekomen. Ver genoeg voor vandaag. Morgen verder.
zaterdag 14 maart 2009
Mijn muzikale carrière

Klarinet - Jan Keltjens van 't Vaore

Als mensen mijn smalle handen en lange vingers zien dan krijgen ze er vaak spontaan allerlei praktische ideeën bij over wat ik daar mee zou kunnen doen. Van diverse vrouwen heb ik bijvoorbeeld al eens gehoord dat ik goeie handen zou hebben voor een gynaecoloog. Die hebben waarschijnlijk onprettige ervaringen achter de rug met dokters met handen als kolenschoppen en schatten in dat mijn slanke handjes soepel en pijnloos naar binnen zouden glijden.
(Raadsel: hoe verft een gynaecoloog zijn voordeur? Antwoord: hij gaat in de gang staan, steekt zijn hand + verfkwast door de brievenbus naar buiten en begint te strijken.)
Mannen daarentegen vinden eerder dat mijn lange vingers uitermate geschikt zijn voor het bespelen van een heel ander instrument: de piano.
Dat vonden mijn ouders blijkbaar ook, want toen ik een jaar of 10 was vonden ze het tijd om mij wat cultuur bij te brengen en deden me op pianoles. Een muziekleraar kwam elke woensdagmiddag op zijn scooter uit Tegelen en probeerde me enthousiast te maken voor het bespelen van dat ding. Maar dat pakte hij helemaal verkeerd aan. Hij liet me week na week alleen maar vingeroefeningen doen en noten lezen en daar zag ik de lol niet van in. Hij had me vanaf het begin ook (simpele) muziek moeten laten maken. Dat stimuleert, dat zie ik nu bijvoorbeeld bij mijn eigen dochter. In elk geval: ik zanikte thuis net zo lang tot ik van pianoles afmocht. Einde pianocarrière.
Wat dan? Zingen dan maar, dat is gemakkelijker. Mijn pa had het kerk-zangkoor opgericht en daar werd ik verplicht bij ingelijfd. Maar ja, ik hield van Elvis Presley en Roy Orbison in die tijd en die halleluja van de kerkmuziek kon me niet erg bekoren. Ik ben sowieso al niet zo’n zanger en verder dan achteraan een beetje meebrommen ben ik nooit gekomen. Einde zangcarrière.
Volgende poging: de harmonie. Toen ik een jaar of 12 was werd in Lottum de jeugdharmonie opgericht en dat leek me wel wat. Trompet wilde ik graag spelen, zo’n mooi glanzend koperen instrument waar zo’n prachtige klanken uit komen. Maar wat gebeurde er: directeur Wiertz keek me in de mond en vond dat die geschikt was om klarinet te spelen. Klarinet! Zo’n lelijke zwarte knuppel met het geluid van een hoestende kraai. Dat was wel het allerlaatste waar ik zin in had. Ik was totaal ge-demotiveerd. Geen zin om thuis te oefenen en daarom kon ik niet meekomen bij de repetities in de zaal en als het wat moeilijk werd deed ik maar net of ik speelde maar blies niet mee. Ik heb eens een hele processie met die knuppel in mijn mond meegelopen zonder een noot te blazen. Jan Keltjens van ’t Voare heeft me nog een tijdlang ’s zondags na de hoogmis thuis bijles gegeven en heeft zijn best gedaan om me enthousiast te maken, maar helaas, ik ben er mee gestopt. En dat was dan ook het definitieve einde van mijn muzikale carrière.
Jammer vind ik het wel. Ik hou erg van muziek en ik zou op dit moment veel liever zelf muziek maken dan wat onzin op een toetsenbord zitten te tikken. Maar ja, het is niet anders, de kans om te leren mooie klanken te produceren heb ik voorbij laten gaan. Ik moet het met woorden doen, evenals iedereen die dit leest.
(Raadsel: hoe verft een gynaecoloog zijn voordeur? Antwoord: hij gaat in de gang staan, steekt zijn hand + verfkwast door de brievenbus naar buiten en begint te strijken.)
Mannen daarentegen vinden eerder dat mijn lange vingers uitermate geschikt zijn voor het bespelen van een heel ander instrument: de piano.
Dat vonden mijn ouders blijkbaar ook, want toen ik een jaar of 10 was vonden ze het tijd om mij wat cultuur bij te brengen en deden me op pianoles. Een muziekleraar kwam elke woensdagmiddag op zijn scooter uit Tegelen en probeerde me enthousiast te maken voor het bespelen van dat ding. Maar dat pakte hij helemaal verkeerd aan. Hij liet me week na week alleen maar vingeroefeningen doen en noten lezen en daar zag ik de lol niet van in. Hij had me vanaf het begin ook (simpele) muziek moeten laten maken. Dat stimuleert, dat zie ik nu bijvoorbeeld bij mijn eigen dochter. In elk geval: ik zanikte thuis net zo lang tot ik van pianoles afmocht. Einde pianocarrière.
Wat dan? Zingen dan maar, dat is gemakkelijker. Mijn pa had het kerk-zangkoor opgericht en daar werd ik verplicht bij ingelijfd. Maar ja, ik hield van Elvis Presley en Roy Orbison in die tijd en die halleluja van de kerkmuziek kon me niet erg bekoren. Ik ben sowieso al niet zo’n zanger en verder dan achteraan een beetje meebrommen ben ik nooit gekomen. Einde zangcarrière.
Volgende poging: de harmonie. Toen ik een jaar of 12 was werd in Lottum de jeugdharmonie opgericht en dat leek me wel wat. Trompet wilde ik graag spelen, zo’n mooi glanzend koperen instrument waar zo’n prachtige klanken uit komen. Maar wat gebeurde er: directeur Wiertz keek me in de mond en vond dat die geschikt was om klarinet te spelen. Klarinet! Zo’n lelijke zwarte knuppel met het geluid van een hoestende kraai. Dat was wel het allerlaatste waar ik zin in had. Ik was totaal ge-demotiveerd. Geen zin om thuis te oefenen en daarom kon ik niet meekomen bij de repetities in de zaal en als het wat moeilijk werd deed ik maar net of ik speelde maar blies niet mee. Ik heb eens een hele processie met die knuppel in mijn mond meegelopen zonder een noot te blazen. Jan Keltjens van ’t Voare heeft me nog een tijdlang ’s zondags na de hoogmis thuis bijles gegeven en heeft zijn best gedaan om me enthousiast te maken, maar helaas, ik ben er mee gestopt. En dat was dan ook het definitieve einde van mijn muzikale carrière.
Jammer vind ik het wel. Ik hou erg van muziek en ik zou op dit moment veel liever zelf muziek maken dan wat onzin op een toetsenbord zitten te tikken. Maar ja, het is niet anders, de kans om te leren mooie klanken te produceren heb ik voorbij laten gaan. Ik moet het met woorden doen, evenals iedereen die dit leest.
Abonneren op:
Posts (Atom)