zaterdag 28 februari 2009

Mijn sportcarrière


Drie seizoenen heb ik gevoetbald en twee keer kampioen geworden. Twee van de drie, dat kan Johan Cruijff me niet nazeggen. Waarmee ik niet direct wil zeggen dat ik een betere voetballer ben dan JC. Ik werd eerlijk gezegd ook niet kampioen met Ajax of Barcelona, maar toch wel met de jeugd van MPO in Oosterhout en daarvoor met de B jeugd van RKLVV.

Er was weinig anders te doen in Lottum dan voetballen. Na school gingen we meestal kuiten op de Konijnskamp of op het veld van RKLVV. Als tienjarige droomde ik er van om in het Nederlands elftal te spelen en net zo’n ster te worden als Abe Lenstra of Faas Wilkes. Maar ik zal het maar eerlijk toegeven: ik was geen voetbaltalent. Te weinig techniek en te weinig overzicht: teveel mogelijkheden om de bal af te spelen.

Ik zag er professioneel genoeg uit: echte voetbalschoenen, een witte broek en oranje shirt (op maat gemaakt bij Claessen aan de Hoofdstraat), maar Wiel Clevers zei een keer tegen me: “Kooste geej má net zò good speule as ôw pekske d’r oe~tzuut”.

En dat had hij goed gezien. Maar ja, andere sporten dan voetballen waren er toen niet. Toen ik 12 was of zo werd ik lid van RKLVV en speelde bij de B jeugd. Soms werd ik zelfs opgesteld en deed dan altijd 90 minuten lang mijn uiterste best om niemand in de weg te lopen.

We hadden een goed team en konden kampioen worden en daarom was het heel verstandig van de trainer (Theo Verheggen meen ik, zoon van Nol) dat hij mij meestal maar aan de kant liet. Die andere Theo Verheggen (zoon van Piet) en Wim Wilmsen (zoon van Thies) waren de besten denk ik. We speelden tegen alle dorpen in de buurt, en verdomd: we werden kampioen! Rond 1960 moet dat geweest zijn.

Groot feest, de club was trots op ons en we kregen van het bestuur allemaal een glaasje sinas in café De Zwaan van Sef Keiren. Ik had niet meegespeeld in de kampioenswedstrijd, was niet eens reserve, maar mocht wel mee op de foto van het kampioensteam.

Na ons vertrek uit Lottum werd ik in Oosterhout eerst lid van MPO (en werd weer kampioen) en het jaar daarop van TSC, een eerste klasser met een beroemde ex-voetballer als trainer: Kees Rijvers, die later nog coach zou worden van FC Twente, PSV en het Nederlands Elftal. Maar ook die heeft van mij geen ster kunnen maken en toen ik een jaar of 15 was heb ik maar vroegtijdig een punt gezet achter mijn voetbalcarrière

Kapper Gerrit Driessen had al lang daarvoor een andere sportcarrière voor me in gedachte en haalde me over om lid te worden van de judoclub in Horst. Dat leek me wel wat: vechten, iedereen pootje haken. Dus ik klom elke zondagmorgen op de fiets en trapte door weer en wind naar Horst om valbreken te leren en houdgrepen, beenklemmen, arm-, been- en schouderworpen te oefenen. Maar judotalenten had ik ook niet echt en toen een jongen met een blauwe band me een keer in een schouderworp nam en me zo hoog door de lucht slingerde dat ik meters verder neerkwakte en bijna mijn nek brak, had ik er genoeg van en brak mijn judocarrière vroegtijdig af. Verder dan de witte band ben ik nooit gekomen.

Pas toen ik een jaar of 30 was ontdekte ik mijn sport: badminton; weinig overzicht nodig maar je moet snel bewegen en flitsend reageren. Het was te laat om echt goed te worden en competitie te spelen, maar ik kon goed mee en heb er als recreatieve speler veel plezier aan beleefd.

Tegenwoordig speel ik tennis. Ook een sport met een moeilijke techniek, heel anders dan badminton. Te veel dingen waar je tegelijk op moet letten. Je moet er jong mee beginnen zeggen ze, anders wordt het niks. En ik was al bijna 50 toen ik begon, dus ik reken er maar niet te hard op dat ik ooit nog op Wimbledon in actie zal komen.

Mijn pa heeft in zijn jeugd gevoetbald, was ook geen talent, maar werd altijd opgesteld omdat hij hard kon lopen en door zijn snelheid de tegenstanders goed voor de voeten kon lopen. Zoiets is het bij mij met tennis ook. Wat hij in voetbal was, ben ik in tennis: hard werken en lopen op alle ballen. En dan hopen dat de tegenstander de bal een keer uitslaat.

Maar ik heb er wel lol in en speel hier in Oeganda minstens twee keer per week. Wie durft tegen me te spelen a.s. zomer op de Kraayenhof??

Dát ’t zò zekt


In Grubbenvorst staat het klooster van de eerwaarde zusters Ursulinen. Daar werd vroeger uiteraard veel gebeden door de dames want daar hadden ze voor doorgeleerd, maar ook lesgegeven en opgevoed, want ze runden er een school; een MULO voor meisjes. Ik weet niet of het ook een dagschool was, maar in elk geval was er een internaat waar de leerlingen niet alleen taal en rekenen en Frans leerden, maar ook goede manieren en waar ze werden opgeleid tot eerbare, kuise jongedames. En dan moesten het liefst nonnen worden natuurlijk, of anders degelijke katholieke huismoeders.
Dat internaat was in de 20-er, 30-er jaren qua opleidingsniveau wel het hoogst bereikbare in de buurt. Mijn moeder heeft er opgezeten en mijn tante Mie Appeldoorn en later ook mijn oudste zus.

Die nonnen hadden allemaal een artiestennaam aangenomen. Hun echte naam was b.v., ik zeg maar wat, Bertha Jansen, maar in het klooster heetten ze dan Mère Josephine of zoiets. Dat klinkt natuurlijk wel even sexier dan “Moeder Bertha”. Maar waarom Mère/Moeder als je hebt gezworen een kuis leven te zullen leiden?

Een van de zusters heette Mère Angèle en die vroeg een keer met een engelachtige stem aan een groep leerlingen: “Meisjes, regent het buiten?”, waarop een van hen in puur onvervalst Lottums antwoordde: “Dát ’t zò zekt, Mère Angèle.”

Die was nieuw natuurlijk, want zo’n taal was verboden. Er werd netjes Algemeen Beschaafd Nederlands gesproken. Ze waren streng, de Mère’s, en ontzettende kwezels waren het ook. Braaf zijn, veel bidden, geen onreine gedachten en geen smeerlapperij in het klooster. Bloot was natuurlijk ontzettend erg taboe. De meisjes mochten hun eigen lichaam niet eens zien, stel je voor dat ze op wulpse ideeën zouden komen! Als ze ’s zaterdags in bad gingen dan moesten ze een wijde witte soepjurk aan om te voorkomen dat ze hun eigen onderdelen konden zien!

Maar goed dat die fabriek voor frigide vrouwen niet meer bestaat. Het gebouw staat er nog wel maar ik weet niet of het nog een klooster is en of er nog nonnen in wonen.

zaterdag 14 februari 2009

Nachtleven

Ik zal er eindelijk maar eens rond voor uitkomen: ik leid een dubbelleven. Al meer dan veertig jaar. Een geheim nachtleven. Zó geheim dat niemand er iets van af weet. Mijn buren niet, mijn vrienden niet, mijn vrouw niet en zelfs ik niet: ..................... ik wandel in mijn slaap; en doe dan van alles waar ik de volgende ochtend niets meer van af weet.

Zo kan ik vertellen hoe ex-tante Mia me 's nachts een keer op het dak vond; of hoe oom Harry Jonkers me 's nachts een keer bijna op mijn kop sloeg omdat hij dacht dat ik een inbreker was. Tante Gretha hoorde iemand in hun slaapkamer en schudde hem zachtjes wakker: "Hay, Hay, word wakker, daar loopt iemand." Maar net toen Hay me met de nachtpot op mijn kop wou slaan kwam er een auto van de Maas af en zag hij in het licht dat ik het was. Op zoek naar de WC; in hun slaapkamerkast.

Pas geleden werd ik 's ochtends wakker met een pijnlijke, rode enkel; drie dagen mee gehompeld. Geen idee hoe ik daar aangekomen ben. Een paar dagen later stond ik op met een pijnlijke bult op mijn kop alsof iemand er met een knuppel op geslagen had.

Een paar jaar geleden had ik ook eens zo'n periode waarin ik regelmatig 's ochtends opstond met verwondingen die ik maar op één manier verklaren kan: slaapwandelen! Dat ik uit bed stap, rondloop, me stoot, val, opsta, terug in bed kruip, doorslaap en me er de volgende morgen niets meer van herinner.

"Dat kan toch niet?", zegt iedereen nu. "Dan word je toch wakker? Als je je kop tegen een muur stoot of op de grond valt?"

Ja, dat zou je wel zeggen. Normaal gesproken wel, maar ik heb wel vaker 's nachts gekke dingen gedaan waar ik me de volgende dag niets meer van kon herinneren.

In dienst bijvoorbeeld, in 1968 in Seedorf. Ik werd op een ochtend wakker en keek in de ogen van een vreemd meisje. Een foto aan de muur welteverstaan. En toen ik om me heen keek: een vreemde, lege kamer; deur op slot; raam op een kier.
Ik moet 's nachts, in mijn slaap, uit mijn stapelbed geklommen zijn, door ons raam naar buiten gekropen, door het raam van de buren (die allemaal op verlof waren) weer naar binnen, daar in het stapelbed geklommen en rustig doorgesnurkt. En god weet wat nog meer. En waarom.

Ander voorbeeld, ook in dienst, oefening op de Lüneburger Heide, 's ochtends bij het ontbijt. Een van mijn maten: "Zeg, wat moest jij vannacht eigenlijk bij ons in de tent? Je maakte ons wakker en probeerde een of andere rare mop te vertellen". "Ja, verdomd, bij ons ook!" zei een ander en toen herinnerden zich minstens tien man dat ik ’s nachts in hun tent was geweest om een mop te vertellen. In mijn slaap! Ik wist er niets van! Kon me er niets van herinneren!

Wandelen, klimmen, moppen vertellen .... wie weet wat ik 's nachts allemaal nog meer uithaal? ’n Stuk fietsen? De hond uitlaten? De tuin schoffelen? Een pilsje drinken in de kroeg? Een bank overvallen? De buurvrouw een beurt geven?

In dat laatste geval praat je natuurlijk niet meer over wandelen. Maar dat zou wel die kneuzingen en bulten verklaren: de buurman.

Zou je wettelijk aansprakelijk zijn voor wat je in je slaap doet? Ik denk van niet. Ik zit er over te denken om bij de dokter een slaapwandelbewijs af te halen en dan kan ik voortaan alles uitvreten wat ik wil. Altijd een excuus: sorry, ik kon er niks aan doen. Ik sliep.

De enige andere verklaring die ik voor die verwondingen kan bedenken is dat ik 's nachts even afgehaald word door aliens. Of heeft iemand nog een ander idee?

Brand in café Wiel Seuren

Een van de meest ingrijpende herinneringen uit mijn jeugd was de brand in het café van Wiel Seuren aan de Markt. Rond 1963 schat ik. Het gebeurde ’s nachts, in het weekend. Ik sliep bij tante Gretha en oom Harry Jonkers en we werden wakker van lawaai op straat. We stonden op, keken naar buiten en zagen dat het cafe één grote vuurzee was. De vlammen sloegen metershoog uit de ramen de lucht in. Er werd geschreeuwd dat de vrouw en kinderen van Wiel nog in huis waren. Huiveringwekkende momenten, de spectaculaire vlammenzee, de angst en spanning van het moment zijn me altijd bijgebleven. Wiel was al buiten geweest zei men, maar hij was door de vlammen terug het huis ingegaan om zijn vrouw en kinderen te redden. Wiel was brandweerman, hij wist wat hij deed, en het is hem ook gelukt om iedereen veilig buiten te krijgen. Mijn respect. Ik hoop altijd dat ik ook zo moedig ben als het nodig zou zijn.

Echte Lottumse held: Wiel Seuren.

Leeft hij nog? Ik heb gegoogled naar een foto van hem, maar kon niets vinden.

Die brand heeft zó’n indruk op me gemaakt dat ik zeker 15 jaar daarna elke avond voor ik ging slapen eerst even checkte waar ik, in geval van brand, naar buiten kon ontsnappen. Bij het minste of geringste geluid op straat of in huis was ik altijd meteen klaar wakker, klaar om naar buiten te vluchten. Pas toen ik een jaar of 30 was is die angst voor brand langzaam verdwenen.

Wiel Seuren heeft het café niet meer herbouwd. Die is door die brand niet bang geworden voor vuur, blijkbaar, want in plaats van een café heeft hij daarna een Caltex tankstation + service station geopend.

Een andere ingrijpende gebeurtenis uit 1963 was de moord op Kennedy. 22 November was het. Men zegt dat iedereen die het meegemaakt heeft nog precies weet waar hij was toen hij het hoorde. Ik weet het in elk geval nog wel: ik was met Gretha Jonkers op bezoek bij Mie Nijssen in Houthuizen. We zaten in de keuken; de telefoon ging, (die hing in die tijd nog altijd in de gang aan de muur), Mie liep naar de gang, bleef een paar minuten aan de praat en kwam met een wit gezicht terug de keuken in: Kennedy is dood.

Elk jaar op 22 november denk ik er weer aan.

zondag 25 januari 2009

Logeren in Lutterade

De RK Lagere Jongensschool ging altijd de hele maand augustus dicht: schoolvakantie. Maar vakantie, zoals nu, naar de bergen van Tirol of het strand van de Costa del Sol, dat bestond toen niet. Daar was geen geld voor en vakantie was hoogstens logeren bij een oom en tante.

Ik ging elk jaar twee weken naar ome Sraar en tante Mie Appeldoorn in Lutterade en mijn neven en nichten Miep, Tiny (juli 2008 overleden), Theo, Agnes en Geertje. Gebracht en gehaald met de VW kever van oom Harry.

Geertje was zo oud als ik en we sliepen altijd samen in haar bed; gezellig en lekker warm samen onder de deken. Toen we een jaar of 10 waren mocht het ineens niet meer. Ik snapte destijds niet waarom, dus het had nog wel een jaar langer gekund denk ik, zonder dat Geertje's eerbaarheid in gevaar was gekomen.

Ome Sraar was politieagent; tante Mie was onderwijzeres geweest. Hun huis stond aan de Spoorstraat, vlak bij de staatsmijn Maurits plus nog een aantal chemische fabrieken en je zag overal glimmende opslagtanks, pijpleidingen, vlammen en schoorstenen waar rook uitkwam in allerlei kleuren. En stinken!!!, jezus wat stonk het in Lutterade, zo'n smerige, irritante, chemische lucht. Hij hing overal, die stank, maar dat scheen niemand te interesseren want de mijn was de grootste werkgever, bijna iedereen leefde daar van en hoe harder het stonk, hoe beter het ging met de mijn.

Wat deed ik daar eigenlijk? Winkelen in warenhuis Schenk in Geleen, naar de speeltuin in Stein, het Steiner bos , zwemmen in het bad in Geleen en ook met de buren picnic-en en spelen ergens op een zandberg. De buren dat was de familie Notten: vader, moeder, oma, Hoebèrt, Frans en drie meisjes. Hoebèrt was zo oud als ik, hij was niet helemaal zoals een ander, zei men toen. Hij had niemand om mee te spelen en keek elk jaar uit naar mijn komst. Ik was zijn enige "vrunj" zei hij.

Mijn neef Theo had witte sierduiven. Brave beestjes, een beetje verwaand met die staart omhoog, maar goed afgericht en netjes opgevoed. Overdag vlogen ze vrij rond maar ze moesten wel thuis in de til komen slapen. En als ze zich om 19 uur allemaal gemeld hadden dan gingen de deurtjes dicht. Zindelijk waren ze ook, in de til werd niet gefledderd. Maar wel op mijn kop!!! Toen ik ze 's morgens een keer vrij liet vlogen ze allemaal naar de dakgoot, wachtten tot ik er onderdoor liep en losten allemaal tegelijk hun lading: mijn haren en gezicht helemaal onder de warme, bruine, dunne duivenfledder.

Een van de hoogtepunten van het jaar was dat altijd, logeren in Lutterade. Het hield op toen Jong Nederland begon met het zomerkamp.

zaterdag 24 januari 2009

Lottumse woorden: boven de 18

Er zijn weer een paar nieuwe woorden bij me binnen komen dwarrelen en dat zal nog wel vaker gebeuren. Een paar zijn er voor boven de 18. Die kende ik eerder ook wel, maar ik wilde het voor alle leeftijden houden hier. Maar na dat brave stukje van gisteren over meneer pastoor moet het eigenlijk wel kunnen nu.

Tricot, triek - trui
Schalevaeger - schavuit?
Kuite – voetballen op één goal
Strevele - ruziënStechelen – ruziën
Strubbe – bengels, vervelende jongens
Heksel - kort gesneden stro
Gée~r - gierig
Pi~n, gérepi~n - gierig persoon
Neuke – etteren, klieren, vervelend doen
Klaor kómme (met elkaar) – goed met elkaar op kunnen schieten
Aaftrekke – scheet laten

Tricot, triek: trui. Jan, ’t is ka~lt boe~te, dót ow maar enne wermen triek á.
Naar dat woord heb ik een half jaar gezocht. Ik wist dat er, behalve trui, nog een woord was maar het wilde me niet invallen. Tricot is oorspronkelijk Frans en betekent dunne gebreide katoenen stof. Tricot is dus geen Lottumse uitvinding, maar in de betekenis van gebreide wollen trui is het wel Lottums.

Schalevaeger: "geej ziet enne kleine schalevaeger" zeiden ze wel eens tegen me toen ik een klein kind was. Wat het betekent weet ik niet. Schavuit? Wie weet het?

Kuite: voetballen, maar dan met z’n allen op één goal. Wij kuitten vroeger zowat elke dag in de boomgaard van Thielen op de Konijnskamp, achter de Horsterdijk.

Strevele: ruziën

Stechele: ruziën

Strubbe: bengels, vervelende jongens. Die jónge ván Jansen dát zie~n echte strubbe.

Heksel: gerven stro werden in een hekselmachine in korte stukjes gesneden van pakweg 3 cm en de heksel werd gebruikt in de legkasten voor de hennen en in de manden waarin de eieren werden geraapt.

Gée~r: gierig

Pi~n, gérepi~n: gierig persoon. Bijvoorbeeld iemand die nooit een rondje geeft in 't café. Wát ziede geej toch enne pi~n!!

Neuke: etteren, klieren, vervelend doen. Tot in de 60-er jaren had het in de generatie van mijn ooms en tantes alleen maar die betekenis. “Schei oe~t met dát geneuk” zei oom Harry Jonkers een keer tegen me toen ik een jaar of twaalf was. Ik weet niet meer wat ik deed, daar in de huiskamer bij Jonkers, maar ik was niet aan het neuken. Dat weet ik 100% zeker.
De moeder van Ans Cuppen uit Lomm (mijn eerste vriendin) riep een keer kwaad: “as geej hee got liggen neuke daan got ma nao bed.”

Klaor kómme: goed met elkaar op kunnen schieten. Tot in de 60-er jaren, tenminste, daarna kreeg het een andere betekenis. Mijn pa was van die verandering niet op de hoogte. Mijn zus Liesbeth trouwde in 1972 met Bart, een Rotterdammer. Ter verhoging van de feestvreugde droeg Pa een zelfgemaakt gedicht voor dat begon zo ongeveer als: “Liesbeth en Bart ontmoetten elkaar, en ze kwamen al heel snel samen klaar.” Vervolgens steeg er een luid gebrul op onder de Rotterdamse bruiloftsgasten. Pa snapte niet wat daar nou eigenlijk te lachen viel.

Aaftrekke: een scheet laten. Zelfde verhaal: als ze er in de 50-er jaren een aftrokken, dan betekende dat dat ze een scheet lieten. Sindsdien is er een element van handenarbeid aan toegevoegd en heeft de actie zich verplaatst naar de voorkant van het lichaam. En het stinkt niet meer. Of in elk geval minder. En anders.

vrijdag 23 januari 2009

Pastoor Kerbosch



Pastoor Kerbosch was de eerste dode mens die ik gezien heb. Hij lag opgebaard in de hal van de oude pastorie en de hele parochie liep er in een lange rij langs om hem een laatste groet te brengen: een seconde stil staan, een kruisje maken en weer doorlopen. Ik weet niet meer wanneer het was, maar ik zal een jaar of tien zijn geweest, rond 1957 dus, en ik vond het maar akelig, dat dode, witte, bloedeloze gezicht.

Hij is al ongeveer een halve eeuw dood, maar ik zie hem nog scherp vóór me: een vrij kleine, ronde man met een groot, rond hoofd. Dat hoofd was rimpelig, kaal en grijs maar hij had altijd een kwieke blik in de ogen en een jongensachtige uitstraling.

Ik heb hem ook vaak genoeg gezien, als er iemand is die zich hem goed kan herinneren dan ben ik het wel want ik zag hem elke dag: elke dag om 8 uur naar de kerk. Behalve 's maandags, dan mocht ik uitslapen.

Hij had een Solex en daarop reed hij altijd door zijn parochie, bij zijn schaapjes op huisbezoek; controleren of die zich wel aan god’s geboden hielden. Geen flauwekul met geboortebeperking en zo en geen vlees op vrijdag. Hij kwam bij ons eens op een vrijdag onder etenstijd binnen. Mijn moeder had net de soep opgeschept, heldere groentesoep, zat geen kruimeltje vlees in, maar met zijn waakzame blik zag onze zieleherder er wat vet-ogen op drijven en dat was streng verboden. Hij was onverbiddellijk: terug de keuken in met die soep!!

Maar het was wel een aardige, vriendelijke man met een groot hart. Hij gaf financiële steun aan arme gezinnen en als hij jarig was dan mochten alle kinderen van het dorp op zijn kosten naar de speeltuin. Eerst ’s morgens allemaal naar het KJV huis, een liedje voor hem zingen, elk kind een knapkoek en dan de bus in naar Genooi.

Hij had ook hulp: kapelaan De Lepper, een grote, grijze, statige man, hijgde altijd als een stoomlokomotief. De kapelanie was op de Markt, naast D’n Hook, waar later Gerrit Driessen zijn kapperszaak had.
Tijdens de godsdienstles op school jaagde hij me een keer de doodsschrik op het lijf door te dreigen dat spelen met je jeweetwelletje een doodzonde was en dat je rechtsteeks naar de hel ging als je dood zou gaan voor je je zonde gebiecht had. Daar heb ik toch een paar nachten onrustig door geslapen. En in elk geval hoefde ik bij de maandelijks verplichte gang naar de biechtstoel voortaan niets meer te verzinnen want ik had een echte zonde om op te biechten.

Hij was missionaris geweest in China. Meer weet ik niet over hem, het was een beetje een in zichzelf gekeerde man. Hij had in China heel erge dingen meegemaakt zei men.

Ik weet niet meer hoe kapelaan De Lepper's opvolger heette en wat hij allemaal deed, maar in Lottum vonden ze hem meer weg hebben van een boer dan van een eerwaarde heer. Dat vond hij zelf ook blijkbaar want hij schijnt een keer gezegd te hebben dat hij zich nog het prettigste voelde met een schop in de hand. Op hoge feestdagen zoals Kerstmis en Pasen was de hoogmis altijd een bijzondere show: drie priesters samen op het altaar en een hele zwerm misdienaars er om heen. Een “mis met drie heren” heet dat, maar in die jaren werd het in Lottum een “mis met twee heren en kapelaan” genoemd.

Het moet ook wel pastoor Kerbosch zijn geweest die de kerktoren gebouwd heeft, of in elk geval het initiatief heeft genomen. Eind 50-er jaren denk ik en ik meen dat hij 140.000 gulden heeft gekost. Ik heb hem cm voor cm zien groeien vanuit mijn slaapkamerrraam.

Die oude pastorie, daar woonde pastoor Kerbosch met zijn “pastoorsmaagd”. Ik weet niet meer precies hoe die er uit zag, die pastorie bedoel ik, maar dat was toch een mooi gebouw, of niet? Ik ben er een paar keer binnen geweest. Veel gelucht werd er niet, het rook er altijd muf, zo’n oudemensenlucht. Doodzonde dat zijn opvolger die gesloopt heeft en daar zo’n moderne bungalow voor in de plaats heeft gezet. Maar ja, die deed wel meer waar zijn kudde het niet mee eens was. Maar daar hebben we het nu niet over.

Pastoors hebben geen pensioengerechtigde leeftijd blijkbaar, want pastoor Kerbosch heeft gewerkt tot zijn dood. Een stuk in de 70 was hij toen schat ik. Een oude man in elk geval en de laatste jaren van zijn leven stond hij niet meer erg stabiel op zijn benen. Ik heb hem tijdens een mis een keer zien vallen en van de altaartrappen afrollen. Was dat schrikken!!! Maar zo’n ronde buik rolt soepel en hij krabbelde beneden weer op, liep terug naar het altaar en ging gewoon door met het Gloria, of waar hij dan ook gebleven was.

Meneer Pastoor en de Borggraaf, dat waren de hoge heren van het dorp. Een markante persoonlijkheid in mijn jongste jaren, pastoor Kerbosch, maar behalve zijn grafsteen en een klein mini-straatje dat zijn naam draagt, is er weinig van hem bewaard gebleven. Ik heb hem gegoogled voor een foto voor dit stukje: niets. Het enige wat je op het internet over hem vindt is dit blog, waar zijn naam een paar keer in voorkomt. Veel is het niet. Ik geloof niet in een hemel. Hij wel. En als hij gelijk heeft, dan knikt hij me nu even vriendelijk toe, denk ik.


PS: een jaar later kreeg ik van Frans Gommans de bovenstaande foto, met de burgemeester. En verder herken ik Jan Funs met een elegante kieps op en Mariet (of El?) van Deelen als bruidje.