dinsdag 30 september 2008

Jong Nederland


Foto's: Jong Nederland Horst
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Korte manchesterse broek, khaki hemd, halsdoek, alpinopet, dat was het Jong Nederland uniform en zo gekleed gingen we elke woensdagavond naar het KJV huis. Er was een GL (grote leider?), hopmannen, vaandrigs, pelotons, aalmoezenier, uniformen, emblemen en insignes, militaire groet ..., 't is dat we geen mitrailleurs hadden maar voor de rest had het veel weg van een bataljon kindsoldaten. En als je de namen van de pelotons bekeek: Buffels, Herten, Vossen, zou je ook kunnen denken aan een dierentuin in plaats van een jeugdvereniging.

Op het einde van de avond werden we in carrévorm opgesteld en in de houding gezet. Dan werd er eerst gebeden natuurlijk en daarna riep de hopman als afsluiting: JONG NEDERLAND, en de hele meute schreeuwde dan uit volle borst terug: PARAAT! Een beetje een enge, militaristische club als ik daar zo nog eens aan terugdenk, een soort Hitlerjugend. Daar zou ik mijn zoon nooit op doen, maar mijn pa was de GL en hij had Jong Nederland opgericht, dus ......................

Gerrie en Leo Peters, Piet Hovens, Sef Coenders, Hay Nelissen, Toon Philipsen waren de hopmannen. Van de vaandrigs kan ik me alleen Leo Clabbers nog herinneren en Chrit Lenssen. De eerste aalmoezenier heette Linders en toen die vertrok kwam pater Frederiks.

Een peloton bestond uit een man of acht. De Vossen waren mijn peloton. De leiding was in handen van een PL (pelotonsleider) en een APL (adjunct PL). Ik was, na een spannende verkiezingscampagne tot PL van de Vossen gekozen. ’t Zal wel geholpen hebben dat mijn pa de leiding had van de club. Peter Verheijen werd APL.

Op zo'n woensdagavond leerden we knopen maken: mastworpen, platte knopen en oude wijven, en we deden allerlei wedstrijden, maar waarin weet ik eigenlijk niet meer.

En dan kwam de zomer en het hoogtepunt van het Jong Nederland jaar: HET KAMP. Tenten, potten, pannen, dekens, kleren en weet ik wat nog allemaal op de vrachtwagen van Piet vd Berg en wij op de fiets naar Baarlo.

Het kamp was bij een boer op het erf. Elk peloton had een eigen kampje met een tent, waarin je sliep op een stro-zak. De tafel en twee banken werden gemaakt van houten stammetjes. Het was geen Club Med kamp, geen 3 sterren accommodatie, je zou er de jeugd van tegenwoordig niet meer naar toe krijgen, kijk maar eens naar de foto's die ik vond op de web site van Jong Nederland Horst. Ons kamp zag er precies zo uit. Bij de ingang van elk kampje werd de pelotonsvlag opgehangen, met een hert, buffel, vos etc. er op. Er moet door moeders en zussen heel wat afgeborduurd zijn in die tijd.

Zoals in het leger: elke ochtend en avond appél: iedereen in carrévorm opgesteld en dan de hele show: bidden en vlaggen hijsen en "jong nederland paraat" en zo. Wat we verder allemaal deden, behalve koken, eten en afwassen, kan ik me niet eens meer herinneren, maar het was wel allemaal heel spannend.

In de 50-er jaren ging er nog niemand op vakantie naar Spanje, dus twee weken van huis weg naar Baarlo was een heel avontuur. Behalve voor mij dan, want mijn hele familie ging mee op kamp: pa, ma en alle kleintjes. Dat was natuurlijk niet echt op kamp.

Twee keer ben ik mee geweest; in Baarlo en het jaar daarop in Maasbree. Ik weet niet meer wanneer ik van JN af ben gegaan, maar ik heb daarna nog wel meegekregen dat de Herten een keer landskampioen werden. Pierre van Dijk, Ger Heinemans, Jo Custers, Arie Snellen en Henk Martens hoorden daar o.a. bij.

Ik heb net even gegoogled en de organisatie Jong Nederland bestaat nog steeds Maar niet meer in Lottum denk ik. Is dat overgegaan in JOL? En bestaat JOL nog wel?

Pater Frederiks werd door zijn klooster overgeplaatst van Horst naar Tilburg in dezelfde periode dat wij naar Oosterhout verhuisden en hij is nog tientallen jaren huisvriend van mijn ouders gebleven. Zo'n beatmis pater die leuk en populair met de jeugd om ging; en een leren jasje droeg; en net een beetje té veel belangstelling voor mijn zussen had. Aardige man, verkeerd beroep gekozen.

zondag 28 september 2008

Lottumse woorden: 121 - 130

121 Ketteren                    hard rennen
122 Ketterschoon            hardloopschoenen
123 Kwaggen/kwiemen  vogelbabies
124 Kwakel                     denneappel
125 Kwekvors                 kikker
126 Leis                           teugels
127 Lichtig                      vaak, meestal
128 Litsen                       bretels
129 Loeëk                       uien
130 Loemele                   vodden

Ketteren. Staat niet in alfabetische volgorde want het dat woord viel me gisteren pas weer in. 55 jaar niet gehoord denk ik. Hard rennen betekent het, en ik had als kind:

Ketterschoon: Dat waren mijn snelste schoenen, waar ik het hardste op kon rennen. Rood waren ze, gekocht bij Funs van Dijk natuurlijk. Van het merk “Robinson” waarschijnlijk want dat waren de beste in die tijd.

Kwaggen: net uit het ei gekomen vogelbabies. “Kwiemen” was een ander woord. Vogelnesten uithalen was een van de hobbies in de lagere schooljaren en als we kwaggen vonden in een nest dan waren we te laat. Die eieren werden uitgeblazen en dan werd er een krans van gemaakt en in huis opgehangen. Maar niet bij ons; mijn pa was een natuurbeschermer en mocht er niks van weten dat ik vogelnesten uithaalde.

Kwakel: denneappel. Die waren erg handig om de kachel of de oven mee aan te maken en in het najaar gingen we altijd met de hele familie het bos in om manden vol kwakels te rapen voor de bakkerij van Jonkers.

Kwekvors: kikker. Als schooljongens gingen we vaak salamanders en stekelbaarsjes vangen in de Roeibeek. "Snorren" had je ook nog, bruine visjes met een hangsnor.
Er waren ook jongens die kikkers vingen en opbliezen: een stukje stro in de kont en dan blazen tot ze uit elkaar spatten. Dat heb ik, eerlijk waar, nooit gedaan.

Leis: de lange teugels van touw waar je een paard mee bestuurt dat een kar of een ploeg trekt. Dat mocht ik altijd doen van ome Sraar. Niet dat het paard zich van mij wat aantrok, die wist zelf wel waar hij heen moest.

Lichtig: meestal. Noa de hoeëgmis get ie lichtig beej d’n Hook efkes ’n glaas beer drinken.

Litsen: bretels. Droegen we in de 50-er jaren om de broek op te houden. Hadden de vorm van een Y: twee elastieken aan de voorkant en één achter, elk eindigend in leren stukjes met twee knoopsgaten die je vast maakte aan de knopen aan de broek, vier voor en twee achter. Was nog best lastig als je voor het grote werk naar de WC moest, zeker als je haast had. Dan moesten eerst al die knopen losgefrunnikt voor de broek omlaag kon.
Later kwamen er moderne litsen, met klemmetjes in plaats van knoopsgaten.

Loeëk: uien.

Loemele: dat woord kreeg ik van mijn zus. Volgens haar is dat Lottums voor vodden.

zaterdag 27 september 2008

Lottumse woorden: 111 - 120

111 Kratsen           krabben
112 Krek               net, pas
113 Krek good      net goed
114 Kriemel(en)    jeuk(en), kriebel(en)
115 Kroe~t            stroop
116 Kroëten          rode bieten
117 Kroe~tpers     stroopfabriekje van van Soest
118 Kroe~twis      ?
119 Krujer            ?
120 Kuumen        kreunen


Kratsen: “’t Stet geschreve en gedrukt, ge meugt kratse woa ’t jukt”.

Krek: ’t Is krek gebeurd.

Krek good: “Piet is door ’t ie~s gezakt.” “Dát is krek good, mót ie má nì zò stóm doon.”

Kriemelen: "Mam, ik heb kriemel aan de kó~nt." Wollen truien, die kunnen ook kriemelen.

Kroe~t: stroop. Van appels of van bieten gemaakt.

Kroëten: rode bieten.

Kroe~tpers: het stroopfabriekje van van Soest aan de Opperdonkseweg. In de 70-er jaren is het door ...? Zeegers omgebouwd tot een mooie woning, en ergens in de 80-er jaren is die gekocht door Ger Versleijen en mijn nicht Ankie Nijssen.

Kroe~twis: een bos met bloemen en groenten en fruit er in, maar ik ben vergeten waarvoor het ook alweer was en wat je er mee deed. Ze werden gezegend in de kerk, meen ik, en dan thuis in een vaas gezet.

Krujer: scheldwoord. Ik weet niet hoe ik het vertalen moet, maar mensen die in een woonwagen woonden en handelden in vodden en oud ijzer of langs de deur gingen om messen te slijpen werden krujer genoemd.

Kuumen: wordt het meeste op de WC gedaan denk ik.

donderdag 25 september 2008

Lottumse woorden: 101 - 110

101 Knoers          kraakbeen
102 Knoevelen    knuffelen?
103 Knómmel     rotzooi, prullen
104 Knoa~k        bot
105 Koaye           kaantjes
106 Koes             varken
107 Koetelen       ruilen
108 Kök              gazeuse
109 Köken          boeren
110 Krangs um   binnenste buiten

Knoers: kraakbeen. Mooi ouderwets Lottums woord. Maar wel heel vies spul.
Hier in Oeganda vinden ze het lekker, ze houden van knagen. Een van de populairste gerechten is cow foot: een koeiehoef in water gekookt, alleen botten en wit, rubberig knoers. Is goed voor de gewrichten, zeggen ze.

Knoevelen: knuffelen? Mijn zussen hebben me verzekerd dat het een echt Lottums woord is, maar ik ken het niet.

Knómmel: rotzooi, prullen. “Ik halt nì vaan dè seks-knómmel” hoorde ik een Lottumse dame een keer zeggen. Rond 1980 was het, maar ik zal hier geen namen noemen.

Knoa~k: bot.

Koaye: kaantjes. Flink uitgebakken en dan op de boterham. Ze moeten ergens in een varken zitten, maar vraag me niet waar.
In de neus kunnen ze ook zitten, maar dat zijn heel andere koaye; niet voor op de boterham.

Koes: varken. Kinderwoordje.

Koetelen: ruilen. Knikkers bijvoorbeeld, die werden veel gekoeteld.

Kök: limonadegazeuse. Exota limonadegazeuse was de officiële naam. Zo’n vies, zoet, geel suikerwater in een fles met een beugelsluiting. Er zat veel koolzuur in en daarom moest je er erg van köken.

Köken: boeren.

Krangs um: verkeerd om. Daar begon het mee, zie mijn eerste bericht.

Nog 162 woorden te gaan tot Zwelf. Plus wat ik in de tussentijd nog vind.

maandag 22 september 2008

Lottumse woorden: 91 - 100

91 Kleine kant               kleuterschool, groep 1
92 Kleu~ch / kluchtig    lol / lollig
93 Klieëd/kledje            jurk/jurkje
94 Kluntjeswek             suikerbrood
95 Knam                        helemaal
96 Knapkook                 koekje
97 Kneien                      kneden
98 Knoajen                    mopperen, zanikken
99 Knoep                       groot ding
100 Knoeren                  hard werken?


Kleine kant: groep 1; de bewaarschoeël van juffrouw Mien van den Boeënekamp, daar hebben we het al eens eerder over gehad.

Kleu~ch: lol, plezier. Kluchtig: leuk, lollig. Dat probeer ik hier soms te zijn, maar dat valt niet altijd mee.

Klieëd: jurk. In NL leggen ze een kleed op de grond (vloerkleed, tapijt), maar in Lottum is een klieëd een jurk en wordt gedragen door de dames. Of door kleine meisjes en dan is het een kledje.

Kluntjeswek: suikerbrood. Wit brood met half gesmolten, plakkerige brokjes suiker er in. Heel smerig.

Knam: helemaal. Dèn boeëm hingt knam vol proe~me.

Knapkook: dunne, platte koek, van ongeveer 10 cm doorsnee schat ik. Ik weet niet of ze nog bestaan, maar in de 50-er, 60-er jaren waren het de populairste koeken voor bij de koffie. Ik heb er duizenden gemaakt in de bakkerij van Sef Keltjens. En ingepakt. En bezorgd.

Kneien: kneden.

Knoajen: mopperen, greken.

Knoep: groot ding. Dé Wiel dén hé~t zich doa enne knoep vaan ’n hoe~s gebouwd. Overtreffende trap in het Blericks: knoeppert.

Knoeren: ik weet het niet zeker maar voor mijn gevoel heeft het te maken met hard werken of hard fietsen.

Dat was nummer honderd en om dat te vieren zal ik eens over een bizarre taalervaring vertellen. Het was juni 1976, in Bardera, Somalië. Met Nederlandse ontwikkelingshulp zou daar een brug over de Juba River gebouwd worden en een collega en ik moesten wat metingen en onderzoek doen, o.a. een paar boringen voor de fundering van de brug. Daarvoor hadden we een Italiaans bedrijf ingehuurd en we vonden ze ergens midden in de wildernis: wij in een landrover met een chauffeur en een tolk en drie Italianen in een vrachtauto met de bak vol Somaliërs. Italianen zijn wereldkampioen praters en ze babbelden volop, maar ... alleen in het Italiaans. En wij spraken Nederlands, Frans, Duits, Engels maar geen Italiaans. We hadden wel tolken: wij een die Engels sprak en zij een die Italiaans kon.
Dus: wij spraken Engels tegen onze tolk, die in het Somalisch tegen de andere tolk en die maakte er weer Italiaans van. En vice versa. En dan maar hopen dat er aan de andere kant hetzelfde uitkwam.

Vijf Europeanen, maar we konden niet communiceren zonder de hulp van twee Afrikanen. De Somaliërs snapten er niks van dat die witten elkaar niet konden verstaan.

Ik heb in de weken daarna genoeg Italiaans opgepikt om met ze te kunnen werken en de brug is er gekomen. Ik heb het net nog even gecheckt op Google Earth: hij is er nog.

zaterdag 20 september 2008

Lottumse woorden: 81 - 90

81 Jöken                wiebelen, wippen
82 Kanedassen      populieren
83 Kappes             kool
84 Kel                   man
85 Kelderverken   pissebed
86 Kerboe~t          balkenbrij
87 Kieps                pet
88 Kietelstieën      ronde steen
89 Klats / kletske  grote / kleine hoeveelheid
90 Klef                  talud, helling

Jöken: wiebelen. Zit ’s neet zoeë te jöken met dè stool, doa get ie kapot vaan.

Kanedassen: populieren.

Kappes: kool. Maar tegen de tijd dat hij klein gesneden en gekookt op je bord ligt dan is het mós geworden.

Kel: man. Ik denk dat het van “kerel” komt. “Neet böke, ziet ’s enne groeëte kel” zeiden ze als ik me gestoten, geschaafd, gesneden had.

Kelderverken: pissebed. Geen welkom diertje in huis, aan de namen te horen.
Ze horen bij de kreeftenfamilie en ademen door kiewen en kunnen daarom alleen leven in vochtige ruimten.

Kerboe~t: balkenbrij. Moet ergens vooraan zitten als je een varken opensnijdt, want na het slachten was dat het eerste onderdeel wat je te eten kreeg.

Ik kan me nog vaag herinneren hoe tante An en Maassen Leen samen kerboe~t maakten: een kuip vol fijngemalen bloederige troep, flink roeren met een houten spaan, een paar zakken boekweit er bij om het in te dikken en dan met een grote lepel in bakjes scheppen om af te koelen.

Als kind vond ik het lekker op de boterham: in plakken gesneden, gebakken in de pan met wat schijfjes appel erbij en kroe~t er op. Maar nu? Ik kreeg een keer een stuk cadeau en kreeg er bij te horen welke delicatessen er allemaal in zaten: pens, darmen, longen, hersenen. De hond heeft een paar dagen lekker gesmuld.

“’t Lekkerste ván ’t verke” was bij ons thuis een standaard uitdrukking. “Dát spek lus ik neet - bàh, die spruutjes zien fie~s – den bloemkoeël is nì lekker”, het antwoord was altijd: “Opète, dat is ’t lekkerste ván ’t verke”.

Kieps: pet. Zo’n platte met een klep aan de voorkant.

Kietelstieën: een ronde steen waar je iemand mee op zijn rug kietelde.

Klats: ’n hoeveelheid vloeistof. Ik kreeg ’n klats water óvver mien bóks. Maar ik weet niet zeker of ’n klats altijd vloeibaar is. Kun je ook een klats geld hebben?

Kletske: ‘n kleine klats. Wilde nog ’n tas? D’r zit nog ’n kletske in de kan.

Klef: talud, helling. De klef beej Muijsers: daar lag het Houthuizer veld een paar meter hoger dan de weg en daar kon je met de snel (autoped) of fiets vanaf. Als je durfde.

dinsdag 16 september 2008

Lottumse woorden: 71 - 80

71 Ho~of         groentetuin
72 Hudsel        halster
73 Huiwagen   spin
74 Huukskes    hurken
75 Huuske       WC
76 Illik             bunzing
77 Inkkater      eekhoorn
78 Inkketske    eekhoorntje
79 Joeks          lol
80 Joerts         mus

Ho~of: tuin; maar dan wel een groentetuin, geen siertuin. Ho~ofpaadsoep noemde oom Harry Jonkers de groentesoep van mijn tante An Nijssen omdat hij dacht dat ze daarvoor alleen maar even snel d’n ho-ofpaad op en neer had gerend en hier en daar een blaadje had geplukt.

Hudsel: halster

Huiwagen: die slome spin met zo’n heel lange poten.

Huukskes: hurken.

Huuske: WC. Oorspronkelijk een hokje buiten het huis, meestal boven de zeikkelder. Je zat op een plank met een rond gat waardoor de chocola omlaag de kelder in plonste. Aan de muur hing een touwtje met daar overheen reepjes krantepier. Dat veegde niet lekker moet ik zeggen.

“Ik goj nog ’s op ’t huuske doeëd”, zei de oma in Tienray van mijn vriend Ben van Rijswick altijd als ze na een half uur kuumen uitgeput van het huuske kwam.

De meeste huizen in het dorp hadden normale WC’s, maar voor veel mensen bleef dat toch 't huuske.

Illik: bunzing. Ik heb er nog nooit aan geroken, maar die schijnen erg te stinken.

Inkkater / inkketske: eekhoorn / eekhoorntje.

Joeks: lol; maar ik denk eigenlijk dat dat een Venloos woord is.

Joerts: mus. De meest voorkomende vogel vroeger, maar ik geloof dat de jeugd (mensen van onder de vijftig bedoel ik) dat woord niet meer kent.