71 Ho~of groentetuin
72 Hudsel halster
73 Huiwagen spin
74 Huukskes hurken
75 Huuske WC
76 Illik bunzing
77 Inkkater eekhoorn
78 Inkketske eekhoorntje
79 Joeks lol
80 Joerts mus
Ho~of: tuin; maar dan wel een groentetuin, geen siertuin. Ho~ofpaadsoep noemde oom Harry Jonkers de groentesoep van mijn tante An Nijssen omdat hij dacht dat ze daarvoor alleen maar even snel d’n ho-ofpaad op en neer had gerend en hier en daar een blaadje had geplukt.
Hudsel: halster
Huiwagen: die slome spin met zo’n heel lange poten.
Huukskes: hurken.
Huuske: WC. Oorspronkelijk een hokje buiten het huis, meestal boven de zeikkelder. Je zat op een plank met een rond gat waardoor de chocola omlaag de kelder in plonste. Aan de muur hing een touwtje met daar overheen reepjes krantepier. Dat veegde niet lekker moet ik zeggen.
“Ik goj nog ’s op ’t huuske doeëd”, zei de oma in Tienray van mijn vriend Ben van Rijswick altijd als ze na een half uur kuumen uitgeput van het huuske kwam.
De meeste huizen in het dorp hadden normale WC’s, maar voor veel mensen bleef dat toch 't huuske.
Illik: bunzing. Ik heb er nog nooit aan geroken, maar die schijnen erg te stinken.
Inkkater / inkketske: eekhoorn / eekhoorntje.
Joeks: lol; maar ik denk eigenlijk dat dat een Venloos woord is.
Joerts: mus. De meest voorkomende vogel vroeger, maar ik geloof dat de jeugd (mensen van onder de vijftig bedoel ik) dat woord niet meer kent.
dinsdag 16 september 2008
zondag 14 september 2008
Lottumse woorden: 61 - 70
61 Greken sjachrijnen, zanikken
62 Groeëte kant groep 2
63 Gröts trots
64 Gruts ?
65 Hemdrok onderhemd met korte mouwtjes
66 Hemelbieësje onzelieveheersbeestje
67 Hieëp hakbijl
68 Hoarepluk
69 Hojje dag
70 Hómmelen onweren, donderen
Greken: sjachrijnen, klagen, zanikken. Dèn Hay dat is ‘nen echte greker = die heeft altijd wat te zanikken.
Groeëte kant: de tweede klas van de kleuterschool, tegenwoordig groep 2. Daar hebben we het al eens over gehad.
Gröts: trots. In NL heeft het soms een negatieve betekenis: "verwaand", maar in het Lottums niet.
Gruts: weet ik eigenlijk niet precies, maar bij dat woord moet ik denken aan zo’n goot op de stal achter de koeien langs waardoor de gier en de prut naar de zeikkelder stroomt.
Maar misschien vergis ik me ook wel en is het zo’n zilveren tang om bonbons mee van een porceleinen schaaltje te pakken.
Hemdrok: een soort T-shirt voordat de T-shirts waren uitgevonden. Droegen we in de koude tijden van het jaar over het onderhemd heen. En daar zat dan een medaille opgespeld; heette dat niet een scapulier? Wat waren we toch heilige boontjes vroeger.
Hemelbieësje: Onzelieveheersbeestje. Zo’n rood kevertje met zwarte stippen. Mijn jongste dochter is panisch voor alles wat kruipt en krabbelt, maar OLH beestjes zijn lief. Die moeten een goede public relations manager hebben.
Vanmorgen zei ze nog tegen me: ik ben bang voor kleine vieze beestjes, voor dokters en voor apen.
Hieëp: hakbijl om schansen mee kort te maken en kippen de kop mee af te slaan. Jeu Lenssen had daar vroeger geen hieëp voor nodig, hij zette zo’n kip tussen zijn benen en trok de kop er zo af. Mijn tante An sloeg een kip eerst met een stok verduusseld voor ze de kop er af hakte.
Hoarepluk: Lottumse folklore bij bruiloften, hebben we het al eens over gehad.
Hojje: dag, afscheidsgroet. Meestal in combinatie met wah: hojje wah.
Hómmelen: onweren. Was ik als klein kind erg bang voor. Bang gemaakt eigenlijk, want als het hómmelde dan moesten we allemaal op de knieën en dan werd de rozenkrans gebeden tot het gevaar geweken was. Bij een harde knal voelde ik soms de bliksem al aan mijn achterwerk schroeien.
Ik was een jaar of drie, alleen in huis met tante Lies, toen het flink begon te onweren. “Ziet maar neet schoow”, zei ze tegen me. Ik keek haar eens goed aan en zei “ik geluëf, geej ziet zelf schoow”. Dat heeft ze me later nog vaak verteld.
Wat hadden ze vroeger gemoeten zonder rozenkrans? Als we met de auto ergens heen gingen en het was verder dan naar de bakker, dan werden er als extra ongevallenverzekering ook altijd eerst een paar rozenkransen gebeden. De verlichting brak op sommige plaatsen pas laat door.
62 Groeëte kant groep 2
63 Gröts trots
64 Gruts ?
65 Hemdrok onderhemd met korte mouwtjes
66 Hemelbieësje onzelieveheersbeestje
67 Hieëp hakbijl
68 Hoarepluk
69 Hojje dag
70 Hómmelen onweren, donderen
Greken: sjachrijnen, klagen, zanikken. Dèn Hay dat is ‘nen echte greker = die heeft altijd wat te zanikken.
Groeëte kant: de tweede klas van de kleuterschool, tegenwoordig groep 2. Daar hebben we het al eens over gehad.
Gröts: trots. In NL heeft het soms een negatieve betekenis: "verwaand", maar in het Lottums niet.
Gruts: weet ik eigenlijk niet precies, maar bij dat woord moet ik denken aan zo’n goot op de stal achter de koeien langs waardoor de gier en de prut naar de zeikkelder stroomt.
Maar misschien vergis ik me ook wel en is het zo’n zilveren tang om bonbons mee van een porceleinen schaaltje te pakken.
Hemdrok: een soort T-shirt voordat de T-shirts waren uitgevonden. Droegen we in de koude tijden van het jaar over het onderhemd heen. En daar zat dan een medaille opgespeld; heette dat niet een scapulier? Wat waren we toch heilige boontjes vroeger.
Hemelbieësje: Onzelieveheersbeestje. Zo’n rood kevertje met zwarte stippen. Mijn jongste dochter is panisch voor alles wat kruipt en krabbelt, maar OLH beestjes zijn lief. Die moeten een goede public relations manager hebben.
Vanmorgen zei ze nog tegen me: ik ben bang voor kleine vieze beestjes, voor dokters en voor apen.
Hieëp: hakbijl om schansen mee kort te maken en kippen de kop mee af te slaan. Jeu Lenssen had daar vroeger geen hieëp voor nodig, hij zette zo’n kip tussen zijn benen en trok de kop er zo af. Mijn tante An sloeg een kip eerst met een stok verduusseld voor ze de kop er af hakte.
Hoarepluk: Lottumse folklore bij bruiloften, hebben we het al eens over gehad.
Hojje: dag, afscheidsgroet. Meestal in combinatie met wah: hojje wah.
Hómmelen: onweren. Was ik als klein kind erg bang voor. Bang gemaakt eigenlijk, want als het hómmelde dan moesten we allemaal op de knieën en dan werd de rozenkrans gebeden tot het gevaar geweken was. Bij een harde knal voelde ik soms de bliksem al aan mijn achterwerk schroeien.
Ik was een jaar of drie, alleen in huis met tante Lies, toen het flink begon te onweren. “Ziet maar neet schoow”, zei ze tegen me. Ik keek haar eens goed aan en zei “ik geluëf, geej ziet zelf schoow”. Dat heeft ze me later nog vaak verteld.
Wat hadden ze vroeger gemoeten zonder rozenkrans? Als we met de auto ergens heen gingen en het was verder dan naar de bakker, dan werden er als extra ongevallenverzekering ook altijd eerst een paar rozenkransen gebeden. De verlichting brak op sommige plaatsen pas laat door.
Lottumse woorden: 51 - 60
51 Boam bodem, achterwerk
52 Gèle verf geelzucht
53 Gelint omheining van een wei
55 Gerf bos graan
56 Gevrè~t gezicht
57 Gewè~re begaan
58 Geyen wieden
59 Graaf sloot
60 Grei spul
Boam is me later pas ingevallen; moest eigenlijk al bij het eerste lijstje staan, op nummer 9. Boam of vlaaiboam. Die kon je vroeger kopen bij de bakker (misschien nog wel) en dan kon je er zelf kersen of miemere of ertsbè~re op doen.
Kinderen hebben ook een boam, maar die is niet voor kersen of miemere, maar om op te zitten. Of om klappen op te krijgen als ze vervelend zijn.
Boam komt van het NL bodem denk ik, maar daar hebben we ook nog “bojjum” voor. Een emmer heeft een bojjum. En de Maas ook.
Gèle verf: geelzucht, hepatitis. Heb ik als kind van een jaar of tien eens gehad. Misschien aangestoken door Henk Martens, want die had het ‘t eerste op school. Gele huid, gele ogen, niet al te ziek, lekker een week of drie niet naar school.
’t Gelint is de pin-droad om een wei heen.
Gerf: vroeger werd het koren (rogge, gerst, haver) met een maaibalk gemaaid en lag dan los op de grond. Dat werd dan met de hand, met wat spieren stro, in bossen gebonden, gerven, en met acht tegelijk rechtop tegen elkaar gezet om te drogen. Kan 't zijn dat die “ruiters” heetten, acht gerven bij elkaar?
Gevrè~t: gezicht. Maar als je een meisje wilt versieren kun je beter niet zeggen dat ze een knap gevrè~t heeft, want dan wordt het waarschijnlijk niks. ’n Gevrè~t heeft iemand waar je bieëstig giftig op bent en waar je hem dan het liefste op zou slaan.
In Duitsland zeggen ze "Fresse".
Gewè~re: begaan. Loat um maar gewè~re: laat hem maar met rust, laat hem doen wat hij wil.
Geyen: wieden. Met de hand drek (onkruid) uittrekken. Ik ben eens getrouwd geweest met iemand die heel precies de opkomende Afrikaantjes en Sneeuwklokjes uittrok rondom de schietmè~l heen, maar dat noem ik geen geyen. Kwam uit een stad natuurlijk.
Graaf: sloot. Er moet in Lottum ergens een gekkengraaf zijn, maar ik ben vergeten waar.
Grei: spul. Woei hèt dat grei ok alwir? Wat is dat vur fie~s grei.
52 Gèle verf geelzucht
53 Gelint omheining van een wei
55 Gerf bos graan
56 Gevrè~t gezicht
57 Gewè~re begaan
58 Geyen wieden
59 Graaf sloot
60 Grei spul
Boam is me later pas ingevallen; moest eigenlijk al bij het eerste lijstje staan, op nummer 9. Boam of vlaaiboam. Die kon je vroeger kopen bij de bakker (misschien nog wel) en dan kon je er zelf kersen of miemere of ertsbè~re op doen.
Kinderen hebben ook een boam, maar die is niet voor kersen of miemere, maar om op te zitten. Of om klappen op te krijgen als ze vervelend zijn.
Boam komt van het NL bodem denk ik, maar daar hebben we ook nog “bojjum” voor. Een emmer heeft een bojjum. En de Maas ook.
Gèle verf: geelzucht, hepatitis. Heb ik als kind van een jaar of tien eens gehad. Misschien aangestoken door Henk Martens, want die had het ‘t eerste op school. Gele huid, gele ogen, niet al te ziek, lekker een week of drie niet naar school.
’t Gelint is de pin-droad om een wei heen.
Gerf: vroeger werd het koren (rogge, gerst, haver) met een maaibalk gemaaid en lag dan los op de grond. Dat werd dan met de hand, met wat spieren stro, in bossen gebonden, gerven, en met acht tegelijk rechtop tegen elkaar gezet om te drogen. Kan 't zijn dat die “ruiters” heetten, acht gerven bij elkaar?
Gevrè~t: gezicht. Maar als je een meisje wilt versieren kun je beter niet zeggen dat ze een knap gevrè~t heeft, want dan wordt het waarschijnlijk niks. ’n Gevrè~t heeft iemand waar je bieëstig giftig op bent en waar je hem dan het liefste op zou slaan.
In Duitsland zeggen ze "Fresse".
Gewè~re: begaan. Loat um maar gewè~re: laat hem maar met rust, laat hem doen wat hij wil.
Geyen: wieden. Met de hand drek (onkruid) uittrekken. Ik ben eens getrouwd geweest met iemand die heel precies de opkomende Afrikaantjes en Sneeuwklokjes uittrok rondom de schietmè~l heen, maar dat noem ik geen geyen. Kwam uit een stad natuurlijk.
Graaf: sloot. Er moet in Lottum ergens een gekkengraaf zijn, maar ik ben vergeten waar.
Grei: spul. Woei hèt dat grei ok alwir? Wat is dat vur fie~s grei.
zondag 7 september 2008
De höltere iezerkes
Negen kinderen hadden opa en oma Nijssen, een hele zwerm dochters en één zoon. Ze hielden van degelijke ouderwetse namen: Mie, Nes, Gretha, An, Grada, Trui, Nel, Lies en Sraar.
Sraar was de jongste en hij zal rond de 20 zijn geweest toen zijn vader, Sjaak Nijssen, in 1941 overleed en hij er alleen voor kwam te staan op de boerderij. "Alleen" is niet het goede woord want er waren nog wat ongetrouwde zussen die meewerkten plus een serie bediendes en knechts.
Ik heb al eens geschreven dat ik op die boerderij geboren ben en het is daarna altijd een middelpunt in mijn leven gebleven met oeëme Sraar in de hoofdrol. Als het maar even kon was ik daar, ‘s woensdags en ‘s zaterdags na school en ‘s zondags de hele dag. Hij was mijn peetoom en een aardigere, leukere oom dan oeëme Sraar kan ik me niet voorstellen. Vol humor, altijd opgewekt, altijd vol grappen.
Ik zal drie - vier jaar zijn geweest toen ik een snel (autoped) kreeg en op dat ding stepte ik van de Horsterdijk alleen naar Houthuizen toe. Elke zondag deden we hetzelfde spelletje: als hij uit de hoogmis thuis kwam dan vroeg hij aan de tantes: “Is Paul nì gekómme vandaag?” “Nae”, zeiden die dan “we hebben um vandaag neet gezeen”. Dan ging hij aan de tafel zitten, waar ik me onder verstopt had en dan trok ik hem flink aan zijn been. En dan rende ik er vandoor en hij achter me aan om me te vangen.
Ik zal ook een jaar of vier zijn geweest toe we een keer samen naar de biggenmarkt in Horst zijn geweest. ’s Morgens heel vroeg, met paard en wagen en een grote kist vol biggen stap voor stap achter de dikke kont van het paard aan over het Wietveld naar Horst toe. En toen de handel verkocht was het café in voor een borrel en een glaasje sinas.
Het zware werk op de boerderij werd nog met een paard gedaan in de 50-er jaren, zo’n zwaar Belgisch trekpaard. Pas toen ik een jaar of tien was, denk ik, kocht hij een tractor, een tweedehandse grijze Fordson. De dikke Belg werd van de hand gedaan en ingeruild voor een slank luxe paardje: Pedro.
Wie waren er nog meer op de boerderij? Mijn tantes An en Lies en de knecht Jeu Lenssen, later opgevolgd door Joop Born. Fokkie, de hond, een pauwhaan en een -hen, een stuk of zes melkkoeien, wat mökken, twee stallen vol varkens en een paar hokken vol kippen.
Ik snelde of fietste altijd naar oeëme Sraar als ik niet naar school hoefde en hielp met alles mee; ik weet niet of het echt helpen was toen ik nog klein was, maar ik was er wel altijd bij: ploegen, cultivateren, eggen, maaien, dorsen, melken, voeren, mesten en wat er allemaal nog meer gebeuren moet om zo’n gemengd boerenbedrijf draaiend te houden. Hard werken altijd, maar er werd veel bij gelachen.
Op 1 april was ik een keer aan de beurt: “Paul, got is beej Driek ziene Sef de höltere iezerkes halen.” En ik op stap naar Muijsers: “Oeëme Sef, oeëme Sraar wil gèr de höltere iezerkes hebben.” “Oh”, zei die, "ik geluëf dat die beej Kessels zien, got doa maar ‘ns vroagen.” En ik op pad naar Kessels en daar kreeg ik pas door dat ik voor de gek werd gehouden.
Rond 1955, denk ik, trouwde oeëme Sraar met Mie Deckers die toen in Melderslo woonde. Getrouwd werd er in de kerk van Melderslo en daarna drie dagen lang feest in de schuur van Deckers; ik kan me vooral nog de teil vol flesjes sinas en cola herinneren waaruit we mochten pakken zoveel we wilden. Voor kinderen die misschien drie keer per jaar een flesje sinas kregen was dat zo ongeveer de hemel op aarde.
Tante An en tante Lies verdwenen uit Houthuizen; An ging de huishouding doen bij haar zus Gretha Jonkers aan de Markt en Lies werd wijkverpleegster in Blerick.
Maar de bevolking op de boerderij werd weer snel aangevuld: in een snel tempo verschenen achtereenvolgens mijn neven en nichten Jac, Gonnie, Mieke en Ankie. Drukke tijden moeten het zijn geweest voor tante Mie: de zorg voor vier kleine kinderen + de koeien + de kippen. Alleen, zonder hulp in de huishouding.
In 1961 kocht mijn pa zijn eerste auto: een tweedehands Renault Dauphine. De roeëie miemer noemde Sraar dat ding. Zelf zou hij graag een Dafje willen hebben, maar dat zat er nog niet aan.
In december 1961 vertrokken wij met de roeëie miemer naar Oosterhout. Anderhalf jaar later, in mei '63, kwam ik ’s middags uit school en als gewoonlijk liep ik naar de radio en zette keihard Veronica aan, maar mijn pa draaide hem meteen weer uit. Aan zijn gezicht kon ik zien dat er iets ergs gebeurd moest zijn: ome Sraar is dood!!! Verongelukt met de tractor.
De wereld stortte in. Dat was niet waar. Dat kon niet waar zijn. Dat mocht niet waar zijn. Een boze droom was het, maar hij ging maar niet weg. Elke ochtend als ik opstond drong het weer tot me door: hij is er niet meer.
Voor mij, 14 jaar toen, was het het ergste wat me ooit overkomen was, maar ik kan niet eens beginnen met me voor te stellen wat voor een ramp het was voor tante Mie. 33 Jaar oud, in één klap weduwe, alleen met de zorg voor vier kleine kinderen en een boerenbedrijf. Wat een verdriet en wat een zorgen!
Met de boerderij heeft ze hulp gehad, vooral van Martens Sjaak, maar met haar gezin stond ze er alleen voor. Ik weet niet hoe ze het gedaan heeft, hoe ze elke dag weer de moed opgebracht heeft, maar ze heeft zich er doorheen geslagen en alleen vier kinderen groot gebracht. Met in elk geval naar de buitenwereld toe altijd een opgewekt gezicht en zonder ooit te klagen. Ik neem daar mijn petje diep voor af.
Een paar jaar later kon ze het Dafje kopen dat Sraar zo graag gehad zou hebben.
Mijn voorbeelden, mijn role models zeggen ze tegenwoordig: ome Sraar en tante Mie.
---------------------------------------------------------------
PS: Hier moet ik ook nog even het verhaal kwijt over de vloek van de pauw. De pauwhaan van Nijssen ging dood in de strenge winter van ‘62/’63. De grond was te hard bevroren om hem te begraven en daarom bleef hij boven de grond liggen.
In die tijd klopte er een zigeuner aan om te bedelen en toen die de pauw zag liggen waarschuwde hij: raak nooit een dode pauw aan, want dan ga je zelf ook dood.
Wie gelooft er nou zo’n onzin? Ome Sraar in elk geval niet, en toen de winter wat lang duurde groef hij samen met Bastens Funs een gat in de koeienstal en stopte daar de pauw in. Gat weer dicht, klaar is kees.
Maar let op: binnen drie maanden waren ze allebei dood!!! Bastens Funs kreeg een hartaanval bij het schoffelen op het land en ome Sraar verongelukte met zijn tractor.
Ik ben niet bijgelovig. Ik trek me niks aan van vrijdag de 13de of zwarte katten die de weg oversteken en ik loop rustig onder ladders door, maar een dode pauw zal ik toch niet gauw aanraken.
Lottumse provo's
Midden 60-er jaren kwam in heel West Europa de jeugd in opstand tegen het autoritaire gezag en de kleinburgerlijke, benepen maatschappij. De provo's hielden elk weekend happenings op het Spui in Amsterdam en schilderden dan het standbeeld van het Lieverdje wit.
In Amsterdam, daar gebeurde het allemaal. En in Lottum gebeurde niks. Dat moest maar eens veranderen, vonden wij, en daarom stapten wij op een zaterdagnacht ergens in 1965 met een grote pot witte verf de auto in om ook eens mee actie te voeren.
Wij, de Lottumse provo’s, dat waren (als ik het me goed herinner) Henk Martens, Leo en Jèn Vergeldt, Jan Clevers, Jèr Custers, een dienstkameraad van Jèr uit Meerlo waarvan ik de naam niet meer weet, Noud Verstraaten en ik.
In Lottum viel niets te schilderen, maar in Grubbenvorst stond op het plein een monument, dus daar eerst maar eens naar toe. Een paar streken met de kwast en klaar was kees. Dat ging snel. Maar de verf was nog lang niet op. En wij nog lang niet uitgeprotesteerd. Wat valt er nog meer te schilderen?
In Sevenum stond ook wat, wist iemand, dus hup de auto in en naar Sevenum. Het beeld daar bestond uit een oude vliegtuigpropeller met krom gebogen vleugels en na een paar streken met de kwast was ook Sevenum veroverd.
Nu hadden we echt de smaak te pakken, waar is het volgende monument? We wisten er geen meer. We reden op goed geluk van dorp naar dorp maar vonden niets. Tenslotte kwamen we in Panningen terecht, maar toen we ook daar geen standbeeld vonden om revolutionaire actie op te voeren, leefden we ons maar uit op een Panningse straat en schilderden die vol met vredestekens. Op een witte muur stond ergens met grote zwarte letters “Schoenen Janssen” maar met een paar artistieke verfstreken veranderde Leo Vergeldt dat in “Schenen Jassen”. Geen erg revolutionaire tekst, dat geef ik toe.
In Amsterdam, daar gebeurde het allemaal. En in Lottum gebeurde niks. Dat moest maar eens veranderen, vonden wij, en daarom stapten wij op een zaterdagnacht ergens in 1965 met een grote pot witte verf de auto in om ook eens mee actie te voeren.
Wij, de Lottumse provo’s, dat waren (als ik het me goed herinner) Henk Martens, Leo en Jèn Vergeldt, Jan Clevers, Jèr Custers, een dienstkameraad van Jèr uit Meerlo waarvan ik de naam niet meer weet, Noud Verstraaten en ik.
In Lottum viel niets te schilderen, maar in Grubbenvorst stond op het plein een monument, dus daar eerst maar eens naar toe. Een paar streken met de kwast en klaar was kees. Dat ging snel. Maar de verf was nog lang niet op. En wij nog lang niet uitgeprotesteerd. Wat valt er nog meer te schilderen?
In Sevenum stond ook wat, wist iemand, dus hup de auto in en naar Sevenum. Het beeld daar bestond uit een oude vliegtuigpropeller met krom gebogen vleugels en na een paar streken met de kwast was ook Sevenum veroverd.
Nu hadden we echt de smaak te pakken, waar is het volgende monument? We wisten er geen meer. We reden op goed geluk van dorp naar dorp maar vonden niets. Tenslotte kwamen we in Panningen terecht, maar toen we ook daar geen standbeeld vonden om revolutionaire actie op te voeren, leefden we ons maar uit op een Panningse straat en schilderden die vol met vredestekens. Op een witte muur stond ergens met grote zwarte letters “Schoenen Janssen” maar met een paar artistieke verfstreken veranderde Leo Vergeldt dat in “Schenen Jassen”. Geen erg revolutionaire tekst, dat geef ik toe.
En toen was de lol er wel af, het was al een uur of vier en we reden terug naar huis. De revolutie was voorbij voor die dag.
Ik weet niet wat we verwachtten, maar niemand van ons had gerekend op het schandaal dat de volgende ochtend ontstond en de grote koppen in de maandagkranten; zelfs de Volkskrant berichtte er over op de voorpagina. De beelden die we in Grubbenvorst en Sevenum gewit hadden waren namelijk monumenten ter nagedachtenis aan de oorlogsslachtoffers en veel mensen waren diep gekwetst door onze actie.
Ja sorry; dat wisten wij ook niet. Dat was niet de bedoeling. Als we er nou allemaal maar stil over zouden zijn dan zou er niemand achterkomen dat wij het geweest waren.
De politie stond inderdaad voor een raadsel en had waarschijnlijk de daders nooit gevonden als er niet geklikt was. Maar er werd wel gepraat en zo kwam het verhaal van Custers bij In ’t Zand terecht, van In ’t Zand bij Seroo in Grubbenvorst en zo bij de politie. De sterke arm van justitie kwam in actie en we werden allemaal opgepakt door politieagent Valckx.
Allemaal, behalve ik; mij konden ze nog even niet te pakken krijgen want ik zat in die tijd ver weg in Boskoop op school. In het weekend was ik er wel, bij Jonkers aan de Markt, en op een zondag stonden daar twee grote agenten voor de deur. De arrestatie mislukte echter doordat ik via de achtertuin ontsnapte en de bus naar Venlo nam en vandaar de trein naar Boskoop.
Maar geen nood, Valckx kende mijn pa nog en die werd tijdelijk tot hulp-sheriff benoemd met de opdracht me op te sporen en in Grubbenvorst af te leveren.
Allemaal, behalve ik; mij konden ze nog even niet te pakken krijgen want ik zat in die tijd ver weg in Boskoop op school. In het weekend was ik er wel, bij Jonkers aan de Markt, en op een zondag stonden daar twee grote agenten voor de deur. De arrestatie mislukte echter doordat ik via de achtertuin ontsnapte en de bus naar Venlo nam en vandaar de trein naar Boskoop.
Maar geen nood, Valckx kende mijn pa nog en die werd tijdelijk tot hulp-sheriff benoemd met de opdracht me op te sporen en in Grubbenvorst af te leveren.
Op een dinsdagmorgen kwam hij me in Boskoop oppikken en vandaar reden we rechtstreeks naar Grubbenvorst. Pa was weer eens niet erg te spreken over zijn oudste zoon. Gloeiend was hij, de hele rit van minstens drie uur heeft hij geen woord gesproken.
En daar zat ik dan bij Valckx in de huiskamer. Hij had van de andere zeven al precies gehoord wat we gedaan hadden dus ontkennen had geen zin.
Het recht nam zijn loop, we moesten voorkomen in Roermond en werden elk veroordeeld tot een boete van een paar honderd gulden. En dat was het einde van de Lottumse provo-beweging.
Met één grote vraag ben ik sindsdien blijven zitten. We waren met z’n achten; we zijn alle acht aangehouden en ondervraagd, maar het Nederlandse justitiële apparaat besloot om er maar vier te vervolgen, en wel de vier jongsten: Henk Martens, de twee jongens van Vergeldt en mij.
En daar zat ik dan bij Valckx in de huiskamer. Hij had van de andere zeven al precies gehoord wat we gedaan hadden dus ontkennen had geen zin.
Het recht nam zijn loop, we moesten voorkomen in Roermond en werden elk veroordeeld tot een boete van een paar honderd gulden. En dat was het einde van de Lottumse provo-beweging.
Met één grote vraag ben ik sindsdien blijven zitten. We waren met z’n achten; we zijn alle acht aangehouden en ondervraagd, maar het Nederlandse justitiële apparaat besloot om er maar vier te vervolgen, en wel de vier jongsten: Henk Martens, de twee jongens van Vergeldt en mij.
Dat ik erbij was, was op zich wel terecht want het was mijn idee geweest, maar dat wist de politie niet. Ik vond het ook prima dat die andere vier aan justitie ontsnapten maar begrijpen deed ik het niet. Wat was de logica? Waarom niet alle acht? Of als je vier genoeg vindt, waarom dan niet de vier oudsten?
Maar goed, die justitiële dwaling kwam ons wel goed uit, want de andere vier betaalden netjes mee en zo werd de financiële schade gehalveerd.
Van de door ons betaalde boete werden de schoonmaakkosten aan de gemeenten vergoed. De daders zaten nog op school en hadden zelf geen geld en het waren dus de ouders die de portemonnee moesten trekken. En zo werd die arme vader Martens dubbel slachtoffer van onze protestactie, want als kantonnier bij de gemeente Grubbenvorst had hij dat monument schoon moeten maken en nu moest hij daar zelf nog voor betalen ook!
Het leven kan onrechtvaardig zijn.
PS: op 31 januari 2014 kreeg ik van Hans Loonen dit krantenartikeltje:
Van de door ons betaalde boete werden de schoonmaakkosten aan de gemeenten vergoed. De daders zaten nog op school en hadden zelf geen geld en het waren dus de ouders die de portemonnee moesten trekken. En zo werd die arme vader Martens dubbel slachtoffer van onze protestactie, want als kantonnier bij de gemeente Grubbenvorst had hij dat monument schoon moeten maken en nu moest hij daar zelf nog voor betalen ook!
Het leven kan onrechtvaardig zijn.
PS: op 31 januari 2014 kreeg ik van Hans Loonen dit krantenartikeltje:
zaterdag 6 september 2008
Lottumse woorden: 42 - 50
42 Flie~s tas
43 Foe~telen vals spelen
44 Friemelen prutsen
45 Fus vat
46 Gaaien bevallen
47 Gaar neet helemaal niet
48 Gans helemaal
49 Garepaap halve gare
50 Gavel hooivork
Henk van Schampieters Sir alias Henk van de Veiling, ook bekend als Henk Hendrix heeft me een tip gegeven hoe je Limburgs schrijft: http://li.wikipedia.org/wiki/Wikipedia:Sjpellingssjpiekpagina
Ik zal het eens gaan proberen. Er staat niet in hoe je een klank wat langer moet laten doorklinken, zoals in flie~s en foe~telen. Maar toen ik nog wat doorzocht vond ik het Sjpellingbook “Spelling 2003 voor de Limburgse Dialecten” en daar staat in dat dat met een ~ kan. Een korte klank kun je aangeven met \, maar ze raden af om die tekens in een tekst te gebruiken omdat het wat moeilijk leest. Maar in de woordenlijst hou ik de ~ aan voor de duidelijkheid.
Flie~s: (boodschappen)tas. Is eigenlijk het NL woord “valies”, maar dat woord is verdwenen, wordt niet meer gebruikt. Ik weet niet of flie~s nog wel gebruikt wordt. Gaat er in Lottum nog iemand boodschappen doen met een flie~s?
"Die alde flie~s" heeft niets met boodschappen te maken. Zo werden, nogal oneerbiedig, sommige oudere dames genoemd.
Foe~telen: vals spelen, stiekem bij iemand in de kaarten kijken.
Friemelen: prutsen, bv om een draad in het oog van een naald te krijgen. Er werd vroeger, na het bal, door de jeugd in donkere hoeken achter heggen en muren ook heel wat afgefriemeld, maar daar zal ik het hier maar niet over hebben.
Fus: vat, bv een vat bier (maar misschien is dat geen Lottums, maar Venloos)
Gaaien: bevallen: “dát gaait meej niks” = "dat bevalt me niets", of "dat vertrouw ik niet".
Bevallen in de betekenis van "een kind ter wereld brengen" is weer heel wat anders. Dat kan behoorlijk verwarrend zijn. In de 60-er jaren hoorde ik in Boskoop eens iemand zeggen: " 't Is een rare wereld tegenwoordig: als de meid bevalt dan moet ze weg, en als ze niet bevalt dan moet ze ook weg."
Gaar neet: als het woord “gaar” alleen staat is het hetzelfde als “gaar” in NL: “Netje, kiek 's of de petatte al gaar zien”.
Met “neet” erbij wordt het het Duitse woord “gar”. “Gaar neet” betekent dus “helemaal niet”.
Gans: heeft dezelfde betekenis als het Duitse woord “ganz” = “helemaal”.
In de uitdrukking “ganz und gar” hebben we ze allebei bij elkaar. En dat rijmt ook nog.
Garepaap: halve gare. Vreemd: in Lottum vinden we iemand gaar, als hij een beetje abnormaal doet. In Holland vinden ze hem dan pas half gaar. Hoe zouden ze daar iemand noemen tegen de tijd dat hij helemaal door en door gaar geworden is? Minister President?
Gavel: hooivork, een soort riek, maar dan met maar twee tanden, om hooi of stro mee op te pakken. Komt van het Duitse woord gabel = vork.
43 Foe~telen vals spelen
44 Friemelen prutsen
45 Fus vat
46 Gaaien bevallen
47 Gaar neet helemaal niet
48 Gans helemaal
49 Garepaap halve gare
50 Gavel hooivork
Henk van Schampieters Sir alias Henk van de Veiling, ook bekend als Henk Hendrix heeft me een tip gegeven hoe je Limburgs schrijft: http://li.wikipedia.org/wiki/Wikipedia:Sjpellingssjpiekpagina
Ik zal het eens gaan proberen. Er staat niet in hoe je een klank wat langer moet laten doorklinken, zoals in flie~s en foe~telen. Maar toen ik nog wat doorzocht vond ik het Sjpellingbook “Spelling 2003 voor de Limburgse Dialecten” en daar staat in dat dat met een ~ kan. Een korte klank kun je aangeven met \, maar ze raden af om die tekens in een tekst te gebruiken omdat het wat moeilijk leest. Maar in de woordenlijst hou ik de ~ aan voor de duidelijkheid.
Flie~s: (boodschappen)tas. Is eigenlijk het NL woord “valies”, maar dat woord is verdwenen, wordt niet meer gebruikt. Ik weet niet of flie~s nog wel gebruikt wordt. Gaat er in Lottum nog iemand boodschappen doen met een flie~s?
"Die alde flie~s" heeft niets met boodschappen te maken. Zo werden, nogal oneerbiedig, sommige oudere dames genoemd.
Foe~telen: vals spelen, stiekem bij iemand in de kaarten kijken.
Friemelen: prutsen, bv om een draad in het oog van een naald te krijgen. Er werd vroeger, na het bal, door de jeugd in donkere hoeken achter heggen en muren ook heel wat afgefriemeld, maar daar zal ik het hier maar niet over hebben.
Fus: vat, bv een vat bier (maar misschien is dat geen Lottums, maar Venloos)
Gaaien: bevallen: “dát gaait meej niks” = "dat bevalt me niets", of "dat vertrouw ik niet".
Bevallen in de betekenis van "een kind ter wereld brengen" is weer heel wat anders. Dat kan behoorlijk verwarrend zijn. In de 60-er jaren hoorde ik in Boskoop eens iemand zeggen: " 't Is een rare wereld tegenwoordig: als de meid bevalt dan moet ze weg, en als ze niet bevalt dan moet ze ook weg."
Gaar neet: als het woord “gaar” alleen staat is het hetzelfde als “gaar” in NL: “Netje, kiek 's of de petatte al gaar zien”.
Met “neet” erbij wordt het het Duitse woord “gar”. “Gaar neet” betekent dus “helemaal niet”.
Gans: heeft dezelfde betekenis als het Duitse woord “ganz” = “helemaal”.
In de uitdrukking “ganz und gar” hebben we ze allebei bij elkaar. En dat rijmt ook nog.
Garepaap: halve gare. Vreemd: in Lottum vinden we iemand gaar, als hij een beetje abnormaal doet. In Holland vinden ze hem dan pas half gaar. Hoe zouden ze daar iemand noemen tegen de tijd dat hij helemaal door en door gaar geworden is? Minister President?
Gavel: hooivork, een soort riek, maar dan met maar twee tanden, om hooi of stro mee op te pakken. Komt van het Duitse woord gabel = vork.
vrijdag 5 september 2008
Stinkers
Het moet vroeger hier en daar behoorlijk gestonken hebben in Lottum want wassers waren we niet in de vijftiger jaren. Badkamers bestonden niet. Bij ons in huis was boven wel ergens een klein donker kamertje dat we "de does" noemden, maar gedoucht werd daar niet; daar stonden alleen wat dozen en kisten met oude troep.
Geen waterleiding, geen kraan in huis, geen WC met spoeling, het enige water kwam uit de pomp in de keuken. En door de week wasten we ons daar 's morgens aan het aanrecht de handen en het gezicht. Een klein beetje maar, niet te nat, want dat water was koud. Tanden poetsen? Volgens mij gebeurde dat alleen 's zondags.
En één keer in de week, op zaterdagmiddag, in bad, in een zinken teil in de bijkeuken. Twee aan twee in hetzelfde water. Haren wassen met shampoo gebeurde maar eens in de twee weken. Schoon ondergoed kregen we elke week, dat nog wel.
Ik zal hier niet in details treden, maar iedereen kan zich voorstellen hoe de onderbroek van een 10-jarige jongen er na een week uitzag. En rook.
Geen kliko's en vuilniswagens vroeger, afval werd met paard en wagen opgehaald door Janssen Jan (Henneskens Jan) uit Houthuizen en gestort in het Schansengat aan de Houthuizer weg of in de Bergse Koel aan de Broekhuizer weg.
Riolering kwam pas eind 50-er jaren. Voor die tijd verdween de soep in een gierput die af en toe leeggepompt werd door Janssen Jan.
Er is veel veranderd in vijftig jaar. Lottum was een simpel boerendorpje toen ik klein was. Familie uit "Holland" die wel eens op bezoek kwam vond die dorpse sfeer prachtig: de boerderijen, de velden, de rozen en de Maas. Ik snapte niet wat de ooms en tantes daar mooi aan vonden en schaamde me voor de mesthopen, de kippenhokken, de schuren en het onkruid langs de straten.
Het enige moderne, het enige om trots op te zijn waren voor mij de machinefabriek Thilot en de conservenfabriek van Aarts Pie in Houthuizen.
In mijn fantasie zag ik een dorp met grote bedrijven, moderne huizen, mooie tuinen en schone trottoirs langs alle straten.
En kijk eens aan: een halve eeuw later is die fantasie werkelijkheid geworden want zo afgelikt als in mijn droom ziet Lottum er tegenwoordig in het echt uit.
Maar ja, je kunt het mensen niet gauw naar de zin maken, want nu zou ik het Lottum uit mijn jeugd nog wel eens willen zien met het klooster, het spuitenhuuske, de boerderij van Bartels, Bartelskoel, de smidse van Verheggen's Piet, de Coöperatie, café Keiren, Wilmsen Ties met zijn melkkar.
Tsja, het is nooit goed.
Geen waterleiding, geen kraan in huis, geen WC met spoeling, het enige water kwam uit de pomp in de keuken. En door de week wasten we ons daar 's morgens aan het aanrecht de handen en het gezicht. Een klein beetje maar, niet te nat, want dat water was koud. Tanden poetsen? Volgens mij gebeurde dat alleen 's zondags.
En één keer in de week, op zaterdagmiddag, in bad, in een zinken teil in de bijkeuken. Twee aan twee in hetzelfde water. Haren wassen met shampoo gebeurde maar eens in de twee weken. Schoon ondergoed kregen we elke week, dat nog wel.
Ik zal hier niet in details treden, maar iedereen kan zich voorstellen hoe de onderbroek van een 10-jarige jongen er na een week uitzag. En rook.
Geen kliko's en vuilniswagens vroeger, afval werd met paard en wagen opgehaald door Janssen Jan (Henneskens Jan) uit Houthuizen en gestort in het Schansengat aan de Houthuizer weg of in de Bergse Koel aan de Broekhuizer weg.
Riolering kwam pas eind 50-er jaren. Voor die tijd verdween de soep in een gierput die af en toe leeggepompt werd door Janssen Jan.
Er is veel veranderd in vijftig jaar. Lottum was een simpel boerendorpje toen ik klein was. Familie uit "Holland" die wel eens op bezoek kwam vond die dorpse sfeer prachtig: de boerderijen, de velden, de rozen en de Maas. Ik snapte niet wat de ooms en tantes daar mooi aan vonden en schaamde me voor de mesthopen, de kippenhokken, de schuren en het onkruid langs de straten.
Het enige moderne, het enige om trots op te zijn waren voor mij de machinefabriek Thilot en de conservenfabriek van Aarts Pie in Houthuizen.
In mijn fantasie zag ik een dorp met grote bedrijven, moderne huizen, mooie tuinen en schone trottoirs langs alle straten.
En kijk eens aan: een halve eeuw later is die fantasie werkelijkheid geworden want zo afgelikt als in mijn droom ziet Lottum er tegenwoordig in het echt uit.
Maar ja, je kunt het mensen niet gauw naar de zin maken, want nu zou ik het Lottum uit mijn jeugd nog wel eens willen zien met het klooster, het spuitenhuuske, de boerderij van Bartels, Bartelskoel, de smidse van Verheggen's Piet, de Coöperatie, café Keiren, Wilmsen Ties met zijn melkkar.
Tsja, het is nooit goed.
Abonneren op:
Posts (Atom)
