zondag 16 augustus 2009

Erge dingen in Lottum

Ik heb een beschermde, rustige, gezapige jeugd gehad in Lottum, mag ik wel zeggen, veel opwindends gebeurde er niet. Je zou het ook een saaie jeugd kunnen noemen, maar ik heb het toch nooit als een gemis gevoeld dat we geen aardbevingen, overstromingen, wervelstormen of oorlogen hebben meegemaakt. Mijn generatie heeft geluk gehad en is opgegroeid in de tijd van het Wirtschaftswunder, zoals onze buren het noemden, en we hebben nooit onvrijheid, honger, armoe gekend. Zo ongeveer het ergste wat ons kon gebeuren was als "de örs" van RKLVV 's zondags weer eens verloor.

Maar er waren ook echte drama's. De grootste ramp in mijn leven was toen mijn ome Sraar in 1963 verongelukte, maar ook de dood van andere dorpsgenoten maakte diepe indruk.
De vroegste die ik me kan herinneren was overbuurman Dik, de vader van Gerard, Chris, Annelie en Marel. Een jaar of 5 was ik, ik begreep niet wat "dood" was, maar Annelie legde me uit dat haar vader nu in de hemel was en daar kersenpudding zat te eten. Kersenpudding eten, de opperste vorm van genot in de ogen van een 4-jarig kind.

Andere doden die indruk op me maakten: Mulder Sjeng, buurman Gerrit Pelzer en pastoor Kerbosch. Mulder Sjeng verongelukte met zijn Solex. Ik weet niet meer wanneer dat was, maar Gerrit en de pastoor overleden allebei in 1960.

Sjeng en Gerrit waren begin 40 denk ik, maar in mijn kinderogen waren dat oude mensen die al een heel leven achter de rug hadden. Ik raakte pas echt onder de indruk als er een kind doodging. Een kind stond nog aan het begin, zijn leven was pas net begonnen. Hoe kon god dat laten gebeuren? Daar kon ik geen vrede mee hebben en ik denk dat mijn twijfel of er wel echt een god bestond die het goed met ons meende en op een rechtvaardige manier met onze levens omging, daarmee begonnen is.

Mijn eerste kinderdrama was toen Ger Clevers verdronk in de Maas. Ik weet niet meer hoe het gebeurd is; hij zal wel teveel risico hebben genomen want Ger was een waaghals. Ik zie hem nog hoog in de nok van de schuur van Nijssen over een houten balk lopen terwijl wij beneden doodsangsten uitstonden. "Ger, kiek oe~t, kom nao oonder", riep ome Sraar angstig, maar Ger lachte hem uit en liep door. Toen liep het nog goed af. Kort daarna niet.

De tweede shock kwam toen Ceciel van Dijk plotseling overleed. Hersenvliesontsteking meen ik; ze werd ziek en een paar dagen later was ze dood. Onbegrijpelijk voor mijn kinderhersens.

Een vreselijk ongeluk, waarvan we de gevolgen jarenlang dagelijks konden zien, overkwam John Taks. Hij was in een auto op weg naar de rozenplak, meen ik, toen de motor oververhit raakte. John stapte uit, maakte de motorkap open en de vlammen sloegen hem in het gezicht. Zijn leven in één seconde verwoest.

Maar het drama dat de grootste indruk op me heeft gemaakt, iets waar ik nu, 50 jaar later, nog regelmatig aan denk, is het ongeluk van Truus Keltjens, Truus vaan de po~s. Mijn zus Mieke heeft zien gebeuren hoe haar paard op hol sloeg, hoe ze de controle verloor, in paniek raakte, gehoord hoe ze gilde, de angst in haar ogen gezien en haar zien vallen met haar hoofd op de stoeprand: nek gebroken. Dood.

Het gebeurde in de bocht van de Broekhuizerweg, tegenover Hay Muijsers. Ik stond zelf op de Markt op dat moment, ben er naar toe gelopen en heb er een groep mensen omheen zien staan.

Mijn geheugen heeft me in dit geval echter altijd bedrogen. Ik zou gezworen hebben, ik zou voor een miljoen gewed hebben, dat die mensen in de bocht van D'n Hook stonden, naast het huis op de Markt, waar de familie Keltjens toen woonde.

Pas vorig jaar heb ik van mijn zus gehoord, bevestigd door Paul Keltjens, waar het echt gebeurd is.

Mijn dochter van 12 viel deze week van een paard. Niets gebeurd, maar ik dacht onmiddellijk weer aan Truus.

Geen vrolijk bericht dit keer, hier kan ik natuurlijk mijn blog niet mee eindigen, dus: wordt vervolgd.

zaterdag 15 augustus 2009

Nog een paar




Bovenste foto: de hele club
Onderste foto: Arie, Henk en ik
--------------------------------------------------------------
Nog een paar Lottumse woorden:

Wies - tot

Ve~g - ... ?

Vaan heer wies in de Melderse. Komt duidelijk uit het Duits: wies dónderdaag = bis Donnerstag.

Ve~g: kan ik niet vertalen, maar alleen jonge meisjes kunnen een ve~g zijn. Ik denk daarbij aan een actief, ondeugend, bijdehand, niet helemaal betrouwbaar meisje. Die Truus vaan ós dát is 'n echte ve~g.

Beide woorden heb ik gehoord van Marianne Verstraaten. Haar ve~g was haar hond Izzy.

Marianne is bij ons in Brokeze op bezoek geweest, samen met Ger Donners + Elly, Jo Custers en de kernleden van de blauwe toep, onze vriendenclub in de 60-er jaren: Jen Vergeldt +José, Jan Clevers + Mia, Pierre Custers, Arie Snellen + Bets en Henk Martens + Christien. Afwezig waren Leo Vergeldt en Pierre van Dijk. En Noud Verstraaten, die een paar jaar geleden overleden is.

Arie wist zich te herinneren waar de naam "blauwe toep" vandaan kwam. Het had te maken met blauwe servetten, maar de rest van het verhaal ben ik weer kwijt.

Henk wist zich te herinneren wat voor een raar type ik vroeger was: ik hield van Elvis Presley en niet van Cliff Richard, en later van de Stones en niet van de Beatles, zoals het hoorde in Lottum in die tijd. Dat is waar: Cliff Richard vond ik maar een mietje. Elvis was veel ruiger, net als de Stones. Maar Elvis verloor zijn reputatie toen hij dat zeikerige nummer "Crying in the chapel" opnam, en de Stones konden het verder wel schudden nadat ik Mick Jagger in een wit kanten pakje had zien optreden bij het afscheidsconcert voor Brian Jones in Hyde Park.

Na die eerste creatieve jaren rond ’65 zijn de Stones steeds dieper weggezakt als je het mij vraagt en wat ze de laatste 40 jaar gemaakt hebben is geen muziek meer maar steeds dezelfde brij van herrie: niet om aan te horen. De Beatles, daarentegen, werden steeds creatiever en hebben prachtige muziek met mooie teksten nagelaten.

Ik kon dus aan Henk rapporteren dat het tussen de Beatles en mij helemaal goed is gekomen. Cliff vind ik nog steeds een mietje, hoewel ik twee nummers van hem nog regelmatig afspeel: "The day I met Marie" en "Carry (doesn't live here anymore)".

Heren van in de zestig zijn we nu allemaal, de vriendenclub uit onze tienerjaren. Zuipen konden ze vroeger beter want ze hebben me met een enorme voorraad bier en wijn laten zitten. De gespreksthema's waren ook anders dan 40 jaar geleden: carrières, pensioenen en kleinkinderen o.a.. Maar we hebben ook jeugdfoto's bekeken en herinneringen opgehaald, maar wat dat laatste betreft moesten we natuurlijk voorzichtig zijn met de dames erbij. Die willen er liever niet aan herinnerd worden dat ze voorgangsters gehad hebben en willen al helemaal geen sterke verhalen horen over amoureuze avonturen waar zij geen rol in speelden.

Maar we hebben het tamelijk netjes gehouden, het was een leuke middag; doen we volgend jaar weer.

maandag 3 augustus 2009

Lottumse woorden – toegift: “gaaien” tot “strèkel”
















Op de foto's v.l.n.r.:
Ger en Marianne
Henk van de Veiling
Miet in aanbouw
--------------------------------------------------------
Gaaien - bevallen
Kroednaegel - seringenKummelijk – preciesKwiem – kwag, net uitgekomen vogeltjeMiet – mijtMoeke – slijmenNáks – naaktPoem (dieke) – dikke vrouwSpinnejaeger – ragebolSpegele – opscheppen
Strèkel - ?

Ik ben sinds 20 juni in het land. In Broekhuizen, dicht bij de bron, en dan krijg je dat: ik ben nog een paar nieuwe Lottumse woorden tegengekomen. Nieuw op mijn lijst bedoel ik, het zijn natuurlijk oude woorden. Hier komen ze:

Gaaien: bevallen. ’t Gaait 'm niks dát de schoeël merge wir begint.

Kroednaegel: seringen. Kroednaegel is het NL woord kruidnagel en wordt in het Lottums ook zo gebruikt. Maar in de betekenis van "sering" is het echt Lottums.

Kummelijk: ? Weet ik niet precies. Werd verteld over iemand en het klonk alsof het een pietje precies was, iemand bij wie alles heel nauw komt.

Kwiem: kwag. Een net uit het ei gekropen vogeltje.

Miet: mijt. Van hooi of van stro. Die zie je niet meer tegenwoordig. Vroeger werden na het maaien de gerven opgestapeld tot een mijt en die bleef dan, tot het dorsen, een paar maanden op het veld staan. De bovenkant werd op dezelfde manier afgedekt als een rieten dak en op de punt stond een houten staak.
Ik weet niet of het historisch is, maar er werd vroeger verteld dat iemand de schoolmeester als volgt uitlegde hoe zijn pa aan een gebroken been was gekomen: “Mijn vader was de mijt aan het dekken en toen brak de pin en toen viel hij er af!” De lol is natuurlijk dat “mijt” hetzelfde klinkt als “meid”. En pin ..?, dat hoef ik niet uit te leggen denk ik.

Moeken: als je iemand wat wilt laten doen wat hij eigenlijk niet wil, dan moet je hem moeken, een beetje slijmen.

Náks: naakt. “Ge kunt enne nákse neet in de tes veule”, zei ome Sraar Jonkers vroeger. In het Hollands kan het wel.

Poem, meestal gebruikt als dieke poem: volumineuze dame.

Spinnejaeger: ragebol. Zo’n ronde bezem aan een lange steel om de spinnewebben mee weg te vegen.

Spegele: de ogen uitsteken, jaloers maken, opscheppen met iets dat een ander niet heeft.

Toen ik een jaar of drie was gaf mijn moeder me eens een sinaasappel en zei er bij dat ik er niet mee mocht spegele tegen de kinderen op straat. Rond 1950 waren die nog zeldzaam denk ik en kon je er nog iemand jaloers mee maken. Dus zei ik tegen ons buurmeisje Annelie Dik: “Allieke, drei ow ’s um daan kán ik mien habbededee opète”. Toen vond ik de woorden nog zelf uit.

Strèkel: ? Dat woord ken ik niet. Ik heb Ger Peters (Ger van de kapper) ontmoet en die vond dat ik als kind een strèkel was en volgens mij bedoelde hij daar niet mee dat ik een braaf, gehoorzaam kind was. Het zal dus wel deugniet, kwajongen betekenen of zo.

En wie en wat ben ik verder nog tegengekomen in Lottum: Hans Loonen, van het graf van ome Jan in Oeganda. En Wiel Seuren, nog vol leven en humor. Met zijn vrouw Trees ging het helaas minder goed; beterschap gewenst. Bart Seuren heb ik ook ontmoet en mijn vaste commentatoren Henk van de Veiling en Marian van d’n Edah hebben me in Broekhuizen bezocht. En al die ontmoetingen hebben me weer inspiratie opgeleverd voor nog een paar nieuwe Roets afleveringen. Ze komen er aan. Als ik weer thuis ben in Oeganda.

zaterdag 16 mei 2009

Uitgeroetst

Ik heb nu zo'n 9 maanden aan Roets in Lottum geschreven, 66 bijdragen meen ik, en ik ben er wel zo’n beetje doorheen. Het wordt tijd om eens wat anders te bedenken, ik ben dan wel bijna 62, maar toch nog niet oud genoeg om alleen nog maar met het verleden bezig te zijn. Het was een leuke hobby om de zaterdag- en zondagmorgens mee te vullen, als vrouw en dochter nog sliepen, en ik heb via dit blog contact gekregen met veel uit het oog verloren oude en ook met een paar in het oog gevonden nieuwe bekenden.
Hans Loonen bijvoorbeeld, via dit blog hebben we, met hulp van onze secretaresse Rosette Asiimwe en Father Joseph in Nyondo Oeganda het graf opgespoord van pater Jan, zijn in 1980 overleden heeroom.

Ik hoorde soms dat mijn geschrijf met belangstelling gevolgd werd in Lottum. Aan de reacties was dat eigenlijk niet echt te merken. Henk Hendrix heeft destijds als eerste gereageerd om de reputatie van Nulle Sjang en zijn vrouw An c.q. Grit te herstellen. Hij heeft me ook een serie kluchtige Lottumse harmonieverhalen gestuurd waar ik erg om heb moeten lachen. Hier een voorbeeld:

Thei Peeters (Duur)
Na de oorlog hadden we last van de coloradokever, de larven vraten het loof van de aardappelen. Wiel Brouwers en zijn broers hadden een motorspuit waarmee ze ook voor anderen spuitwerk deden. Duur had al ’n paar keer gevraagd om te komen spuiten maar dat werd steeds uitgesteld. Tot hij weer ’n keer opbelde “komen jullie nog de aardappelen spuiten tegen de coloradokever? Anders moet ik ze bijvoeren, ze gaan onderhand kapot van de honger.”

Hij had door de boerenbond de grond laten onderzoeken van een stuk land waar niets wilde groeien. De uitslag was dat hij een ongehoorde hoeveelheid kalk moest strooien. Zei Duur: “Ik denk dat ik Seuren Piet de plak maar laat stucadoren.”



Ik heb er nog over gedacht om die verhalen hier te plaatsen, en van Henk mocht het, maar hij kan die beter op de site van de harmonie zetten vind ik. Of zelf een blog beginnen.

Verder heb ik reacties gekregen van Hans Smits, Bart Seuren, Ger Peters, Blommetje (wie zou dat zijn?), Wiel Teeuwen uit Melderslo, Ger Donners, Jan Muijsers. En Marianne Verstraaten natuurlijk. Een paar van haar eigen herinneringen heb ik hier geplaatst, waarbij ik de wat minder prettige ervaringen met sommige dorpsgenoten er maar uit gecensureerd heb.

Mondelinge reacties en suggesties heb ik gekregen van Mia Clevers, Fried Keltjens, mijn zus Mieke en broer Jeroen.

Roets in Lottum blijft in de lucht. Als iemand wil reageren dan kan dat nog, en als me nog wat invalt over vroeger dat absoluut voor de historie bewaard moet blijven dan ga ik het hier nog opschrijven. Maar ik ga me nu in de eerste plaats bezig houden met mijn nieuwe blogs, één voor mijn buitenlandse ervaringen en avonturen en één waar ik mijn ei kwijt kan over algemene, actuele gebeurtenissen. Alle mooie namen die ik bedacht bleken al te bestaan dus ik moest wat nieuws verzinnen.

Het is geworden: "De Vliegende Limburger" voor het buitenland en "De Comfort Zone" voor de rest van de wereld. Die eerste naam spreekt voor zichzelf; de tweede heeft geen betekenis, ik vond het alleen goed klinken.

Alle lezers van Roets in Lottum bedankt voor de belangstelling en welkom bij de nieuwe blogs. En ook welkom op Veerweg 17 in Brokeze, waar ik van 20 juni tot 9 augustus mijn zomerverlof ga doorbrengen.

zondag 10 mei 2009

Opbiechten

Ik ben over het algemeen eigenlijk wel een eerlijk mens, al zeg ik het zelf. Ik steel niet en belazer niemand. Als ik wat vind probeer ik de verliezer op te sporen, als een cassière zich in mijn voordeel vergist dan zeg ik het eerlijk. Ik knoei nooit met declaraties. Ik eigen me nooit toe wat mij niet toebehoort.
O.K., behalve misschien in mijn studententijd in Tilburg, begin 70-er jaren, toen ik wel eens een krat pils achteroverdrukte in de Famila supermarkt. Maar daar had ik een goede reden voor, vond ik toen zelf: de Famila manager vertelde in een krante-interview dat 19% van hun omzet gestolen werd. Maar dat was geen probleem: hij zette gewoon 19% boven op de prijzen om het verlies te compenseren. Dat wilde dus zeggen dat de eerlijke klanten betaalden voor de dieven. Mijn vertaling van die mededeling was dat dat mij recht gaf op 19% gratis boodschappen, pakweg een tientje per 50 gulden, en ik smokkelde daarom regelmatig een kratje pils onderop het winkelwagentje langs de kassa’s naar buiten.

Dat zou ik nu niet meer doen, maar ik heb daar toch nooit gewetenswroeging over gehad.
Maar wel over het volgende, en het wordt nu eindelijk eens tijd om mijn misdaad op te biechten. Het was rond 1955 denk ik, een jaar of acht was ik toen en ik speelde met Harrie de Boer en zijn jongere broertjes in hun schuur. We klommen over de pakken stro, maakten er gangen in en hutten van en verstopten ons er in. Toen we moe waren en even uitrustten van het spelen lieten ze me een magneet zien, zo’n u-vormig ding uit een tractordynamo. Zo iets moois en interessants had ik nog nooit gezien: spijkers en schroefjes bleven er aan vastplakken en kon je er mee optillen. Ik was gefascineerd door dat natuurwonder. Wat wilde ik graag zo’n ding hebben.
Geen schijn van kans dat ik die van mijn ouders cadeau zou krijgen. En bij de Boer hadden ze er zat van. En die jongens schenen er nauwelijks in geïnteresseerd te zijn. Dat was niet eerlijk.

Je voelt het al aankomen: toen er even niemand keek stopte ik een magneet in de zak van mijn overall en nam hem mee naar huis!!!!

Dat is nu meer dan een halve eeuw geleden en ik heb me er altijd voor geschaamd. Stelen van je vrienden, dat is wel zo ongeveer het misselijkste wat iemand kan doen.

OK, ik heb mijn misdaad nu in het openbaar opgebiecht. Als iemand van de Boer dit leest dan moet hij maar eens contact opnemen en dan gaan we eens kijken hoe ik het allemaal weer goed kan maken.

vrijdag 1 mei 2009

Retour Oosterhout

Ik weet niet precies wat er aan de hand was, daar werd met de kinderen niet over gepraat, maar rond 1960 kreeg mijn pa een probleem met het bestuur van de Rooms Katholieke Lagere Jongensschool. Met de Borggraaf en de pastoor, meen ik, en die hadden toen samen heel wat in de melk te brokkelen.

Pa zei "bekijken jullie het maar" en nam ontslag en in december 1961, 14 jaar was ik toen, verhuisden we van de Bonenkampstraat in Lottum naar de Willem van Oranjestraat in Oosterhout. Een hele overgang, Oosterhout was een flinke plaats met een bioscoop, V&D en een voetbalclub, TSC, die in de eerste klas speelde. Dat was nog eens wat anders dan zo’n boerendorp. Spannend vond ik het in het begin, maar de lol was er snel af. Ik kon geen leuke vrienden vinden in Oosterhout, de jongens in de buurt vond ik niks aan, ik verveelde me dood in de weekenden en kreeg al gauw een hekel aan die plaats. En vooral aan mijn school daar: het St. Oelbert Gymnasium. Die naam alleen al! Het was het klein seminarie van de orde der Capucijnen, een klooster vol saaie bruine paters en honderden brave jongetjes die ook saaie bruine pater wilden worden: een kloosterleven, zonder bier, vrouwen, feesten, muziek en alles wat het leven leuk maakt.
Daarnaast waren er zo'n 20 "normale" jongens, externe leerlingen, waar ik er één van was, die absoluut geen saaie bruine pater wilden worden, maar die toch elke dag mee moesten doen aan al die flauwekul van bidden en biechten (inderdaad, je leest het goed: elke dag biechten!) en missen en retraites in het klooster.

Nee, dat was geen leven en ik zanikte thuis elke dag of ik van die school af mocht. Ik kreeg daarbij zelfs steun uit onverwachte hoek: van onze pastoor die ook vond dat die kwezelarij niets was voor een gezonde Hollandse jongen.
En toen Jos Jonkers uit Broekhuizenvorst me het idee aan de hand deed om naar de Rijks Middelbare Tuinbouwschool in Boskoop te gaan (“dan is je kostje gekocht”, zei hij) en de daaraan voorafgaande verplichte negen maanden praktijk op hun kwekerij in Broekhuizenvorst te doen, was ik niet meer te houden: vrijheid, weg van die school, weg uit Oosterhout, terug naar Lottum, terug naar mijn vrienden!

Mijn ouders hadden altijd de hoop gekoesterd dat hun oudste zoontje priester zou worden, en toen dat een onhaalbare kaart bleek, dan in elk geval dokter. Maar ik probeerde ze er van te overtuigen dat planten en tuinieren altijd al mijn lust en mijn leven waren geweest. Daar hadden ze nooit eerder wat van gemerkt, ze vertrouwden het niet en stuurden me eerst maar eens naar een beroepskeuze-psycholoog in Breda. Die trapte vol in mijn leugens en bevestigde mijn plantenliefde. Ze gaven aarzelend toe en eind juni 1963, nog net 15 jaar oud, verliet ik het ouderlijke huis en trok in bij de familie Jonkers in Broekhuizenvorst. En in de weekends bij ome Harry en de tantes Gretha en An aan de Markt. Ik was terug in Lottum en het vrolijke leven kon doorgaan.

Erg kortzichtig allemaal natuurlijk, want negen maanden lijken heel wat, maar die zijn zó om. En daarna zou ik naar Boskoop moeten, nóg verder weg van mijn vrienden in Lottum.

Wordt misschien vervolgd.

zaterdag 25 april 2009

Marjan van d'n Edah - 2

Marianne Verstraaten stuurde me van de week nog de volgende historische Lottumse gebeurtenissen toe:

Wij hadden als een van de eersten in Lottum telefoon en mensen kwamen vaak in de winkel vragen of Mam even voor hen wilde bellen. Zo ook voor Vrouw Strijbosch(?). Op een bepaald moment werd aan ons Mam gevraagd om de naam te spellen, dus ze begon met: Simon, Theodoor, Rudolf enz. totdat ze onderbroken werd door Vrouw Strijbosch met de kreet: "Vrouw Verstroate, schei oet, zoe heite mien kiender gaar neet”.

Mam moest voor een boer bellen om te vragen wanneer Nico van Meelen langs kwam. Het was een beetje een onduidelijk gesprek waarop Mam zei: "Zeg nou eens wanneer we deze heer kunnen verwachten". Bleek Nico van Meelen een fokstier te zijn. De boer heeft weken gelachen om dit misverstand.

De uitspraak van Stoëpe An toen er een straatlantaarn net voor hun slaapkamerraam werd geplaatst: Piet en ik kunnen elkaar now de ganse nach kloar zeen ligge.
En op de vraag waarom ze geen kinderen had: “Piet en ik zien laat getrouwd. Joamer, ik haaj gaer kiender gehad en Piet is ok hiel kienderechtig”.

Ken je trouwens de gevleugelde uitspraak van Meges (Sauvageot) Frits? Het volgende is natuurlijk niet waar, maar is altijd weer leuk om te vertellen. Frits werd gevraagd voor een rol in de Passiespelen van Tegelen. Hij zou Judas moeten spelen. Maar bij de eerste repetitie ging het al mis. Op de vraag: "Judas, hebt gij Jezus voor dertig zilverlingen verraden?" antwoordde Frits: "Wae zaet daat!"

In de beginjaren vijftig, toen nog bijna iedereen een "huuske" had met als WC-papier een spijker met reepjes krantenpapier erop, had de Edah destijds als speciale aanbieding van de week: 10 rollen closetpapier halen, 5 betalen (of zoiets). Er kwam een vrouw in de winkel en vroeg om 50 rollen closetpapier. Toen ons Mam vroeg wat ze nou in 's hemelsnaam met zoveel closetpapier moest doen, antwoordde ze: "Kiek, Vrouw Verstroate, ik heb meej daat ens oetgemaete, maar ik dooch, det is net genôg om ut klein kaemerke te behange".

Ons Mam kwam eens bij bakkerij Smits om een brood te kopen. Dat was nog in het oude winkeltje. Er kwam niemand om te helpen, dus Mam deed de deur nogmaals open en dicht om het pingelbelletje nog eens te laten gaan. Weer geen reactie. Uiteindelijk ging er achter in het gangetje een deur open en kwam Vrouw Smits naar buiten, haar rokken naar beneden trekkend met de woorden: "Aaltied as ge op het huuske zit, kômme der minse".
Wij hebben die dag thuis brood gegeten zonder korstjes.....


En dan kondigde ze nog aan dat Huub van d’n Edah binnenkort uit Thailand op bezoek kwam en dat die een hoop smeuïge verhalen over een hoop mensen in Lottum wist. Die verhalen gaat ze opschrijven en mij toesturen en die komen dan allemaal hier te staan. Iedereen is bij deze dus alvast gewaarschuwd.