zondag 31 augustus 2008

Mijn boom


Iedereen in Lottum moet mijn boom wel eens gezien hebben: die hoge Italiaanse populier bij het huis van Mie Nijssen in Houthuizen, een paar meter van de Grubbenvorsterweg af.
Hoezo mijn boom?? Is die niet van Nijssen dan? Eigenlijk wel natuurlijk, maar het is toch een beetje mijn boom omdat mijn pa hem geplant heeft op de dag dat ik geboren ben, 3 juli 1947.


Een paar meter van die boom af kwam ik op de wereld, in het opkamertje van de boerderij van Nijssen, waar mijn ouders tijdelijk inwoonden tot hun huis aan de Horsterdijk klaar was.

61 Jaar oud is hij dus al, die boom. En dat is niet mis, want zo'n populieren worden meestal niet ouder dan een jaar of 30. Het werd dus hoog tijd om eens een foto van ons twee oudjes te maken, voor hij omkiept. Of ik.

En dat hebben we begin augustus even gedaan, zie foto.

Waarom zo’n watje van een Italiaanse populier en geen stoere Limburgse eik? Ik weet het niet, vergeten te vragen, ik doe het er maar mee. Willen jullie allemaal wel een beetje voorzichtig rijden daar?

Lottumse woorden: 31 - 41

31 Drats         koffiedik
32 Drek          onkruid
33 Dreksbak  afvalemmer
34 Duchtig     flink
35 Duk           vaak, dikwijls
36 Dumpel     deuk
37 È~k           azijn
38 Ertsbè~re  aardbeien
39 È~vel        hoe dan ook, sowieso
40 Evvel        stopwoord
41 Flet           anjer

Drats of koffiedrats: “koffiedik” in het Nederlands, maar dat woord gebruikt niemand. Geen idee waar “drats” vandaan komt, het lijkt nog het meeste op het Engelse woord “dregs”.

Drek wordt ook in het NL gebruikt, maar dan betekent het “ontlasting, uitwerpselen”. In Lottum betekent het in de eerste plaats “onkruid”, maar consequent zijn we niet, want de “dreksbak” is een emmer voor afval, dat vroeger met de “drekskár” van Henneskens Jan werd opgehaald.

Duchtig: flink; “ik heb um ’s duchtig de woarheid gezè~d.”

Duk: was ik vergeten, op 5 september toegevoegd. Komt van "dikwijls" denk ik.

Dumpel: "D'r zit enne flinken dumpel in ow spatbord."

È~vel: sowieso; “Hè zeuj è~vel wál gewonne hebbe.”

Evvel: een stopwoordje; “’t hè~t evvel nì vôl geschilt of hè zeuj gewonne hebbe.”

Flet: de anjers in onze tuin noemden we vroeger “fletten”.

zaterdag 30 augustus 2008

Shopping Paradise Lottum

Een winkelparadijs was Lottum in mijn jeugd. Alles kon je er krijgen; of anders wel laten maken. Geen Trefcenter nodig, we gingen hoogstens 4 keer per jaar naar "de Stad", met zo'n groene Zuid-Ooster bus.

Vier kruideniers waren er: de VéGé van Verstraaten aan de Hoofdstraat, de Spar van Custers en de Coöperatie van Dik aan de Horsterdijk en de VIVO van Jonkers aan de Markt.

De bakkers had ik eerder al eens genoemd: Gommans, Smits, Custers en Jonkers, later overgenomen door Sef Keltjens.

Dan had je de slagerij van Groetelaars, de groentewinkel van Hovens, melk werd thuisbezorgd door Wilmsen Ties, vrijdags kwam er een visboer langs de deur, schoenen kocht je bij Van Dijk, je had de electrozaak van Achten, de fietsenwinkel van Janssen, huishoudartikelen kocht je bij Clevis, textiel bij Driessen (en ik meen dat er ook nog een textielwinkel van Claessen was), voor aspirientjes ging je naar drogisterij Lenssen en voor kroe-t (stroop) naar de kroe-tpers van Van Soest.

Als je kroe-t ging halen dan belde je eerst aan bij de boerderij, de oude van Soest liep dan mee naar de kroe-tpers, pakte daar een troeffel van de muur, veegde hem een beetje af aan zijn overall en schepte dan uit een grote bak de kroe-t in je kom. Niet te diep want onderin de bak zat een dikke zwarte laag dode vliegen. De warenkeuring was nog niet zo streng 50 jaar geleden.

Bij vrouw Pelzer in de Bonenkampstraat kochten de kinderen aan het raam snoep en waterijsjes. Die was ook ’s zondags open en een groot gedeelte van mijn zakgeld verdween meestal door dat raam de portemonnee van vrouw Pelzer in. Niet dat ze daar rijk van geworden is, mijn zakgeld was een kwartje of zo in die tijd.

Ergens eind 50-er jaren denk, begon Rien Verstraaten een friteskraam op de markt en een paar jaar later opende hij cafetaria Straatex.

Voor een nieuw pak ging je niet naar C&A maar dat liet je maken door sneejer Cuijpers Wiel aan de Horsterdijk. Die heeft b.v. mijn eerste en plechtige communiepakken gemaakt. Je zocht eerst de stof uit, dan mat hij je op en vervolgens ging hij aan het knippen en naaien, zittend op een grote tafel. Na een paar dagen moest je voor de zekerheid nog eens komen passen en na een week liep je rond in je nieuwe pak.

Meubels liet je maken door timmerman Peeters of Clabbers en een schup of een schoeffel kocht je bij smid Piet Verheggen.
Coen vd Ven verkocht olie en Piet vd Berg kolen, briketten en slam.

Was er wat kapot: geen nood, alles kon je laten repareren. Fietsen en brommers bij Janssen, elektrische apparaten bij Achten, schoenen bij de schoester (Funs van Dijk en zijn zoon Jan), meubels bij Peeters of Clabbers en alles van ijzer bij Piet Verheggen. Die laste het weer aan elkaar en zei dan: “zoeë, dát pikken de musse d’r neet mèr aa-f.”

Ik heb als klein kind heel wat uren in de smederij van Piet Verheggen gestaan. Een fantastisch gezicht, hoe dat stuk ijzer roodgloeiend met een tang uit het vuur werd gepakt en hoe Piet daar dan op het aambeeld met een grote hamer op stond te timmeren terwijl de vonken alle kanten op spatten. Als hij uitgehamerd was dan ging het stuk ijzer sissend en stomend een emmer water in, en klaar was het hoefijzer; of de schoffel.

Je had Peters dameskapsalon en ik ben vergeten wie de herenkapper was, maar ergens in de 50-er jaren werd die zaak overgenomen door kapper Gerrit Driessen. Eerst ergens achteraf bij Claessen in de Hoofdstraat en later aan de Markt in de oude Kapelanie. Een leuke man, daar heb ik veel mee gelachen. Het was een schok toen ik hoorde dat hij verongelukt was.
Hij was het er niet mee eens toen ik midden 60-er jaren in navolging van de Beatles en de Stones mijn haar lang liet groeien: “Geej liekt waal ‘n begie-n, man!”

Hij handelde en sjachelde in van alles en zijn vrouw vond dat maar niks. Eens per jaar kwam er een handelaar op school om vodden en oud ijzer op te kopen en toen de kinderen haar eens vroegen of ze wat had om mee naar school te nemen zei ze snibbig: “Zeg maar dat owwe pap zelf krujer is!”

Vóór mijn tijd moet er een kapper Clemens zijn geweest, de vader van juf Clemens?? Zo’n ouderwetse bloempotkapper, want over hem heb ik eens de zin gehoord: “Oei, dat was mis; dan maar helemaal d’r af.”

Juf Clemens is nog eens uitgebreid onderwerp van gesprek geweest hier in Kampala, Oeganda.
Martha Overdijk uit Friesland, de juf van de Nederlandse school, vroeg me eens waar ik vandaan kwam. Dat is moeilijk te zeggen, zei ik, maar ik ben in elk geval geboren in Lottum. Ik had niet verwacht dat een Friezin Lottum kende, maar ze gilde: “LOTTUM!!!, HET IS NIET WAAR!!!. Dan moet je Maria Clemens kennen.” Het bleek dat haar moeder een vriendin was van juf Clemens en dat de familie Overdijk eens per jaar in Lottum op bezoek kwam. En dat Juf Clemens elke zomer een paar weken kwam logeren in Friesland.
“Over de doden niets dan goeds” is het spreekwoord, maar Martha wist toch niet veel goeds over haar te vertellen. Ze was bang voor haar en weken voor juf Clemens kwam logeren had ze altijd al angstige nachtmerries.

Ik kon haar verzekeren dat Juf Clemens dood was en toevallig kon ik haar een foto geven waar haar graf op staat, want zij ligt begraven naast mijn ouders. Die heeft ze daarop toegestuurd naar haar broers in Bolsward en daar heeft een week lang de vlag uitgehangen, vertelde ze me later.

donderdag 28 augustus 2008

Lottumse woorden: 21 - 30

21 Bouten            …..
22 Brandbère      bramen
23 Broensig        bruinachtig
24 Buizen           zuipen
25 Burries          ?
26 Dabben         met de handen/poten graven
27 Deem           speen van een koe
28 Dè~s            paardevlieg
29 Doeën beej  dichtbij
30 Doorslaag    vergiet

Bouten zal ik maar niet vertalen, dat is zo'n woord waar ik vroeger een flinke tik voor kreeg.
Het heeft denk ik niks te maken met die illustere Lottumer, d’n Bout, voornaam weet ik niet meer, achternaam Van Dijk. Zoon van Flisse Sjang van de Harmoniezaal.

Broensig, roeëdsig, blauwsig, gè~lsig, greunsig enzovoorts voor alle kleuren, behalve witsig en zwartsig.

Burries: ik weet de NL naam niet, maar dat zijn die twee stangen of palen aan de voorkant van een paardenkar, waar je het paard tussenin spant.

Dabben: graven. Konijnen zijn de beste dabbers, maar vlak de Lottumse rozenkwekers ook niet uit. Op de rozenplak wordt bij het oculeren ook heel wat afgedabd. De rozen worden opgespannen, dan wordt de grond tussen de stammetjes weggedabd en dan kan het oculeren beginnen.
Ik heb eens een zomer lang rozen gebonden bij Wagemans en toen ook heel wat afgedabd. In de hete zon en in de regen op de knieën achter Wagemans Tinus aan, knieën doorgesleten, rug kapot, handen helemaal geschramd, en dat voor het grandioze bedrag van f 0,45 per uur. Na een hele zomer afbeulen had ik 80 gulden verdiend en daarvan heb ik bij kapper Driessen een tweedehandse draagbare radio gekocht. 80 gulden, 36 euro, dat verdienen ze tegenwoordig bijna in een uur!

NB: op 19 maart 2019 trof ik Nel Wagemans! Zij corrigeerde me: in de regen werd er niet gedabt, ge-oculeerd en gebonden!

Deem: speen van een koe. Een berucht demen-incident heeft in de 60-er jaren eens plaats gevonden in d’n Hook. Ik ben er zelf niet bij geweest, maar heb het gehoord van een ooggetuige. Of in elk geval van iemand die iemand kent die erbij geweest is. Ik weet niet meer wie de hoofdpersonen waren, laten we ze voor het gemak maar eens Hay en Truus noemen. In het kort gebeurde het volgende: Hay ritste in het café zijn gulp open, haalde een deem uit zijn broek tevoorschijn, liet hem aan Truus zien, haalde een mes uit zijn zak en sneed hem af. En Truus, die de deem voor iets heel anders aanzag, viel flauw van de schrik.

Dat moet ongeveer zo gegaan zijn. Hay ritst aan de bar zijn gulp open en zegt tegen Truus, die op een kruk zit: “Truus, môtte is kie-ke wát ik hee heb.” Truus: “Báh smérlap, dôt weg dát ding.” Hay laat zijn mes zien en zegt: “Wát krieg ik ván ow as ik um aafsneej?” En Truus, giechelend: “Báh, Hay, schei oe-t doamei, dôt weg dát ding.” Maar Hay pakt zijn mes en rats ....., en Truus trekt bleek weg en valt van de kruk. Zoiets moet het geweest zijn. Wilde dingen gebeurden er in de 60-er jaren in d'n Hook.

Doeën beej: ik weet niet zeker of dat echt Lottums is. De familie van mijn moeder, Nijssen, kwam oorspronkelijk uit Beesel en het kan zijn dat dat woord meegereisd is.

maandag 25 augustus 2008

Lottumse woorden: 11 - 20

11 Beyen            bidden
12 Biëstig           zeer, erg
13 Bleik             bleek, gazon
14 Bóch             bed
15 Boebs            blut
16 Boekél          boeman
17 Böken           huilen
18 Bóks             broek
19 Bokspringen haasje over
20 Bóttermelk   karnemelk

Beyen, dat heb ik genoeg gedaan vroeger. Elke dag naar de kerk, ELKE DAG, behalve 's maandags, dan mocht ik uitslapen tot 8 uur. En dan nog het lof 's zondagsmiddags, de rozenkrans na het avondeten, het avondgebed voor het slapen gaan, godsdienstles op school, catechismus leren, biechten. Pure kindermishandeling.

Wat viel er nou te biechten? Welke zonden begaat een kind van 8 jaar? "Ik heb mijn zusje gepest", was zo ongeveer de zwaarste zonde die ik kon verzinnen in de biechtstoel. Het maakte allemaal deel uit van het systeem om de mensen onder controle te houden door ze bang te maken. Voor de duivel en het eeuwige vuur, de hel en de verdoemenis.

Dat weten de politici ook: als je aan de macht wil blijven moet je de burgers bang maken: voor oorlog, voor aanslagen, de vijand, de russen, de chinezen, de terroristen.

Boeman. Alweer hetzelfde: door kinderen bang te maken hou je ze braaf. Als kind verstond ik dat woord als boek-kèl, buikman, en ik stelde me daarbij een griezelig monster voor dat bestond uit een grote ronde buik met ogen en een grote mond en met armen en benen. Nachtmerries.

Biëstig: "geej ziet enne gooje kél, ma ik kán meej mei biëstig giftig op ow make" heb ik een keer ergens in Lottum opgevangen.

Bleik: gazon, grasveld. Daar zaten we 50 jaar geleden niet op onder een parasol met een pilsje in de hand; die diende er alleen voor om de witte was op uit te leggen: te bleken in de zon.

Bóch: Bed; maar daarbij denk ik toch niet aan een netjes opgemaakt bed met fris gewassen en gestreken lakens, maar eerder aan een onopgemaakt bed met een stinkend matras en gore lakens en zo.

Bokspringen. Haasje over. Dat deden we vroeger in de pauzes op school. Twee soorten bokken: a) een eenmansbok, één jongen die gebukt staat en waar de rest één voor één van de zijkant overheen springt vanaf een steeds grotere afstand, tot iemand er niet meer overheen kon springen, en dan was hij af en werd de bok; en b) een bok bestaande uit rij van meerdere gebukte jongens achter elkaar, kop tussen de benen van de voorganger en waar dan zoveel mogelijk anderen bovenop springen. Een beetje moeilijk uit te leggen. Duidelijk zo?

zondag 24 augustus 2008

Zilvere brullef

Ergens in de 50-er jaren, boer C. en zijn vrouw waren 25 jaar getrouwd en vierden zilveren bruiloft. Hij had geen hobbies en kwam nooit in ’t café en had een hekel aan feesten, maar hier kwam hij natuurlijk niet onderuit.
Ze hadden het al die tijd goed gehad samen. Hard werken, dat wel, op het land en in de stal. De koeien melken, de varkens en de kippen voeren, eieren rapen, dat moest allemaal elke dag gebeuren; geen tijd voor vakantie, nooit van de boerderij weg, zelfs geen dag. En daar was vrouw C. toch een beetje ongelukkig over.

Dus op de receptie zeiden de vrienden tegen C: “Nou mótte geej toch ‘s op vakantie goan met ów vrouw, want in die viefentwintig joar ziede geej d’r nog noeit ’s ieënen daag oet gewès.” “Mmm”, bromde C., “ut is meej ok nogal ’n wè~r gewès”.

En dan was er nog de boer die pas getrouwd was en toen hem gevraagd werd wat voor een soort vrouw hij nou gevonden had, antwoordde: ”Och, vur op ’t land is ze good”.

Boeren zijn van nature conservatieve mensen, dat hoort bij het vak. Ze nemen geen risico om het bedrijf en het land, dat al generaties lang familiebezit is, niet in gevaar te brengen.

Vader Lenssen in Houthuizen (Ingder Hand) hield ook niet van nieuwerwetse dingen. “Puët brèke zeker”, was zijn standaard antwoord als een van zijn zoons eens wat nieuws wilde proberen op de boerderij.
Maar niet alleen als het de boerderij betrof, want toen Jeu hem eens vroeg of hij een elektrisch scheerapparaat mocht kopen was het antwoord: “puët brèke zeker.”

Lottumse woorden: 1 - 10

Dit blog zou ook over Lottumse woorden gaan, dus hier komen de eerste tien:

1 Aafsmè-re      aftuigen
2 Aal                 allemaal
3 Aling              heel
4 Amazuur        blaasvermogen
5 Arig               vreemd, verdacht
6 Babbeltje       snoepje
7 Bag               big
8 Baktand        kies
9 Bats              bil
10 Begie-n       non

Aling: als er een glas op de grond valt, maar het is niet gebroken, dan is het nog "aling".

Amazuur: als je bij de harmonie de bas of de trombone wil spelen dan moet je flink kunnen blazen, dwz veel “amazuur” hebben.

“Dát is en bitje ennen arige” betekent: dat is een rare, die is niet te vertrouwen, daar moet je voor uitkijken.

Bats: meestal in het meervoud gebruikt: batse. Bijvoorbeeld "mótte doa is kieke waat die 'n dieke batse hè~t." Vertaling: kijk daar eens wat die mevrouw een aantrekkelijk figuur heeft.

"Geej liekt waal 'n begie~n", zei kapper Gerrit Driessen tegen me toen ik in de 60-er jaren mijn haar liet groeien.