zaterdag 21 augustus 2010

Verlottumst

In Lottum zijn ze behoorlijk in de war. Als het om namen gaat tenminste. In de rest van Nederland kun je er tamelijk zeker van zijn dat als iemand zich voorstelt als Jan Peters, die naam ook in zijn pas staat. Johannes misschien in plaats van Jan, en eventueel nog een paar heiligen er achteraan, maar de achternaam klopt zeker.


Maar niet in Lottum!

Daar kun je van namen geen zak op aan. Je kunt bv Johannes van Soest heten, maar iedereen noemt je Koëpmans Sjang. Of je heet Sauvageot maar wordt door het hele dorp Mègens genoemd.

In de pas van Stoëpe Piet staat waarschijnlijk de naam Petrus van Soest. Een andere Van Soest werd de Kroe~tpars genoemd en die op de Broekhuizerweg had de bijnaam Rebep. Wat hebben ze in Lottum eigenlijk tegen de naam Van Soest?

Siebers Puuske`s echte achternaam is Vervoort. Nulle Sjang heette Lichtenveld. Jan Vermazeren heette in het echt Thielen als ik het me goed herinner.

Ik kan me Piete Fien en Frieten Bert nog vaag herinneren van 50 jaar geleden. Wat hun echte namen waren weet ik niet.

De familienaam van Hoete Jeu en Hoete Jan was Hoeijmakers. Stekke Sir was Vosbeek. Flisse Sjang was Van Dijk. Vergeldt achter de kerk werd Stökers genoemd. Mulder Sjeng en Mulder Miets heetten Clevers. De vuilnis werd vroeger opgehaald door Henneskens Jan, die in werkelijkheid Janssen heette.

Toen ik 4 jaar oud was zat ik op de kleuterschool bij juffrouw Mien van d'n Boënekamp, maar officiëel heette ze Van Lipzig. Onze buurman Frans van der Zande werd Pruusse Frans genoemd.

In het paspoort van Bakkeze Wiel stond Verheijen. In dat van Kranten Duer en Grad stond Gommans meen ik. Driek ziene Sef was Sef Muijsers. Ingder Hand`s echte naam was Lenssen, evenals die van Klompen Dris en Klompen Jan. Schoester Sjaak was helemaal geen schoester en heette Jeucken. (*zie opmerking beneden van Frans van de Laar.) Schoester Funs was wel schoester maar heette Van Dijk. Schampieter Sir heette in het echt Hendrix,  Mie Scherpiet heette Clemens en Van de Pasch in de Stroat werd Lemmens genoemd.

De naam Hiepter Hand kan ik me ook nog herinneren. Ik vermoed dat die ook niet op zijn geboortebewijs stond.

Clever Graad heette eigenlijk Coenders meen ik, maar hoe Nölkes Funs in het echt heette weet ik niet. Flinssen Grad had je ook nog meen ik. Heette die niet Vd Laak?

Mijn drie klasgenoten Chrit Peeters, Hem Clevis en Wim Wilmsen stonden respectievelijk bekend als Chrit van Duer, Hem van de Verver en Wim van Thies. Marianne/Jan/Noud Verstraaten waren Marjan/Jan/Noud van d'n Edah (hoewel ze thuis een VéGé winkel hadden).

En dan had je nog een paar illustere dorpsgenoten die algemeen bekend waren onder hun bijnaam: d`n Bout, de Guu~t, de Ekster en de Krei. D`n Bout was een zoon van Flisse Sjang en heette dus Van Dijk. Van die anderen weet ik het niet. Waren dat geen broers? En was er ook niet nog iemand die de Paus werd genoemd?

Mijn advies: als in Lottum iemand aan je wordt voorgesteld: altijd papieren vragen.

Ik ben al meer dan 40 jaar weg uit Lottum en het is goed mogelijk dat mijn geheugen me hier en daar wat in de steek laat. Fouten corrigeren svp en ook de lijst aanvullen want er moeten nog veel meer van die verlottumste namen zijn.

Aanvulling
Op 10 september 2015 schreef Frans vd Laar:



Schoesters Sjaak was inderdaad geen schoester (schoenmaker) Maar zijn naam was niet Jeucken maar Wennekers, Broer van To Wennekers ( Schoesters To) en To was getrouwd met Jeu Jeucken. Sjaak en To hun vader was Schoesters Wullem (Wennekers)

Frans van de Laar  Getrouwd met Riek vaan de Schoester (Jeucken )

zondag 8 augustus 2010

Nóg drie

Henk Hendrix liet het woord vallen vorige week: ¨bandelen¨. Dat was ik helemaal vergeten, maar dat speelden we in de 50-er jaren.
Je hebt een oude velg (velling) van een fiets, een stok van een halve meter lang, je steekt de stok in de gleuf (geen smerige bijgedachten svp), duwt de velg vooruit en rent erachteraan. Wat is de lol van dat spel? Weet ik niet meer, maar de keuze was beperkt in die tijd. We hadden geen TV en geen computers in mijn jeugd. In Afrika doen de kinderen het nog steeds.
Volgens Bernard Driessen kun je "bandelen" vertalen als "hoepelen", maar het mag niet in mijn Lottum blog staan want het is het geen Lottums woord.  Wat weet die Driessen nou van Lottums? Hij woont notabene in Brokezevorst!!! Bandel toch op, Bernard!!

Bergemuuske (met dank aan Ruud Seuren uit Brokeze) was een ander populair spel, het Lottumse woord voor ¨verstoppertje¨.

Landpachten deden we ook, met een zakmes. Je begon met twee gelijke velden en mocht dan om de beurt je mes in het veld van je tegenstander gooien en zoveel mogelijk land veroveren. Verder weet ik het niet meer precies.

Knikkeren was ook populair: met een glazen of een stalen knikker (een kogel uit een lager van een trekker) de kleiknikkers van je tegenstander (gekocht in de winkel van Ververs Joep) veroveren door ze in een kuiltje te knikkeren. `n Soort poolbiljarten eigenlijk, maar op de grond en zonder keu. Daarbij riepen we steeds ¨schòn¨ en ¨nì schòn¨. Precies weet ik het niet meer, maar het had er mee te maken of je het paadje naar de kuil glad mocht maken of niet.

Zo hebben we er dus spelenderwijs weer drie woorden bij:  bandelen - bergemuuske - velling. De teller staat op 353.

zaterdag 24 juli 2010

Lottumse Grammatica

Ik wil niet direct beweren dat het een klassieke taal is zoals Latijn en Grieks, maar de grammatica en de structuur van het Lottums zijn wel een stuk ingewikkelder dan die van het Algemeen Beschaafd Nederlands.

Kijk maar eens naar het onbepaalde lidwoord "een". In het ABN is het simpel: een kind, een vrouw, een man, altijd "een", geen onderscheid tussen onzijdige, vrouwelijke en mannelijke woorden. Duitsers kennen "ein" und "eine", Fransen "un" en "une", maar in het Lottums hebben we wel vier vormen.

Vrouwelijk en onzijdig is altijd "un": un kiendje, un megje, un doe~f, maar voor mannelijke woorden hebben we drie vormen: unne, unnen en unnem!!!

De normale mannelijke vorm is "unne": unne kel, unne joerts. Maar begint het zelfstandig naamwoord met een klinker of met een d, t of h, dan wordt het "unnen": unnen abrikoeëzevlaai, unnen dorsvlègel, unnen telder soep, unnen haan. En begint het zelfstandig naamwoord met een b, dan wordt de laatste "n" een "m": unnem baer, unnem bessem.

Bij de bezittelijke voornaamwoorden is het precies zo:

Mien, miene, mienen, mienem.
Ow, owwe, owwen, owwem.
Zien, ziene, zienen, zienem.
Eur, eure, euren, eurem.

Dan eens kijken naar de bepaalde lidwoorden. In het ABN "het" voor onzijdige woorden en "de" voor mannelijke en vrouwelijke. In Lottum is onzijdig altijd "ut": ut megje, ut kiendje, ut dörp. Het mannelijke en vrouwelijke "de" blijft normaal gesproken "de": de meid, de kel, de joerts, de kersevlaai. Maar als het zelfstandig naamwoord begint met een klinker, een d, t of h, dan wordt het "d`n": d`n abrikoeëzevlaai, d`n telder soep, d`n dorsvlè~gel, d`n Harmoniezaal, café d`n Hook.

En bij een b wordt het "d`m": d`m bekker, d`m bessem.

Moeilijk wah? Ik wed dat er nog nooit iemand bij stilgestaan heeft hoe ingewikkeld ons dialect eigenlijk is.

Eens kijken wat er gebeurt als er een bijvoeglijk naamwoord tussenkomt. Het lidwoord krijgt dan de vorm die hoort bij het zelfstandig naamwoord, maar de uitgang wordt bepaald door de beginletter van het bijvoeglijk naamwoord. En de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord wordt bepaald door de beginletter van het zelfstandig naamwoord. Kun je het nog volgen?

Voorbeelden:

Un mojje vrouw.
Unne groëte kel.
Unnen dieke kel.
Unne groëten hó~ond.
Unnen dieken hó~ond.
Unne groëtem bekker
Unnen diekem bekker.

En het wordt nóg ingewikkelder als er een bijwoord tussenkomt:

Un biëstig mojje vrouw.
Unne vreej groëte kel
Unnen hiël groëte kel.
Unne vreej groëten hó~ond.
Unnen hiël groëten hó~ond.
Unnem biëstig groëten hó~ond.
Unnem biëstig diekem bekker.

Enzovoorts. Ik schei er mee uit want ik krijg er zelf koppijn van. Wie zin heeft mag nog even doorgaan met un miljoen mojje mollige megjes of fertig fieze vette verkes of zo.

Het is 13 juli 2010, ik ben 63 jaar en ik zit me dat nu pas voor het eerst allemaal te realiseren, hier op het balkon van onze vakantiewoning in Süd Tirol. We denken er niet bij na en gebruiken die lidwoorden en uitgangen allemaal automatisch correct zonder ooit één les te hebben gehad in Lottumse grammatica! Spelenderwijs geleerd door te luisteren en na te praten.

Als ik daar zo eens over nadenk dan pakken wij ons onderwijs in vreemde talen eigenlijk helemaal verkeerd aan. We beginnen er pas mee als we er eigenlijk al te oud voor zijn. Tot een jaar of tien kunnen we bijna automatisch talen leren, maar dan komt er een knoop in onze talenknobbel en gaat het voortaan moeizaam.

Dus: Frans, Duits en Engels naar de kleuterschool en knippen en plakken en kleuren naar de HAVO.

donderdag 22 april 2010

De witte vaan Breukers oet Californië

Jan (de witte vaan) Breukers ván René schreef op 29 juni 2009:

ik kwaam hiel toevallig beej oowen blog oet en heb ze geleik bijna aalemoal geleaze... want daat Lottums dat alde Lottums daat mis ik toch wal hee in Kaaliefornieje... en now scheidde dur mit oet? Waat en zund is daat nauw toch, wilde oow neet nag us bedinke? Woende jullie neet beej mienen opa neave? Oh neh, daat waas VanderZeep geluu-f ik, maa nauw wie-t ik daat ok al nimmer zeeker.....

Mien reactie op 22 april 2010:
 
Kalifornieje, dát is toch nì zò wiet? Achter Grubbevoars örgens, ’n stuk op Sevenum à.
Öwwen opa Breukers kán ik meej nog waal herinnere, má weej hebben doa noeëit naeve gewoeënd. Dát zal Van der Zeep waal zien gewès. Die kán ik meej ok nog wál herinnere, veural dochter Inge. ’n Mojje meid, doa drömde ik ’s nachts dukker oaver, ik zal hee má nì vertelle wát. Mien aldste dochter heb ik noa eur geneumd.

Op 20 april 2010 schreef Jan Breukers:

Vaan Renee, de verkusboor vaan de Mert örs, toen op 't verlengde vaan de Ulsheggerwæg, later Stokterwæg genumd. Ik zit in Kaliefornieje beej San Fransisko in de buurt, en bin enne bedriefs en management konsultant of zoewe-iets. Ik haaj 't reize al vroeg in 't blood, mit mienen oehmen Dunnie in Nieuw Zeeland, toen dèhn enne kier noa Lottum kwaam waas ik vurkoch. Ik ken meej nag herinnere daat weej op de fiets en mit dun boewet doa noa toe wooje, en weej (mien alste zeuster Annemiek en ik zei de gek) waare al aan 't oefene op de fiets, maa vurdwaalde beej Maastrich en de ganse femielie waas al in noewed dus daat drejde op niks oet! Maa ik haaj de kriebels wal al te pakke! Ik ging twieje joar op reej noa Kanada uhm tebak te plukke en toen oos mam doewed ging haaj ik uhr beloft 't bedrief ovver te neeme en ooze pap en bitje te hellupe noa daat zeej dur nimmer zeuj zien. Daat örste waas neet zôh moejluk maa daat lèste is meej dus ech nì gelukt. Twieje Breukerse beej elkaar, zôh lang, daat gèht toch nì good....


Noa 13 joar verkus voore en nag vaan aalus waat (rotzooj schôppe binne de voetbalklub, {{maa daat waas ik ech neet alliejn schuld, wàh besteur, ex-besteursleeje en andere minse die mende en meining te moote hebbe, ik dus ôk, maa aah-laah}} vrijwilliger, besteurslid en veurzitter vaan de soos, mit Sjaak Seure zien discotheek en mit Wielkus vaan de Pasch zien geluidsverhuur, mit Joeste Wiel in Grevors catering en party service, etc etc) bin ik dus toch in Nieuw Zeeland oetgekomme, heb doa zôn 11 joar gewoend en mien eige kuffee, bar en restaurant gehad, en toen noa Kaliefornieje... mit en diploma in de tès veur kompjoeter programmeur. Maa de dot-kom zakte toen net in ulkaar dus piste ik wèr achter 't net!


Ik woort doa aagenôhme as advizeur vur de Kaliefornia Kazienoos, kwaliteits-kontrôhle en (under-cover) werk-be-oerdielinge vaan personiehl, en heb daat veur veer joar gedôhn. Doa noa bin ik dus vur meej zelluf begoos, want daat zit ôk in 't blood, nag aaltied...


En as geej werruk het vur meej, loat maarus huure, ik reis gèhr en lang nì genoog.... noejt genoog!


En ik bin dur al lang achter daat ik en bæter læve heb as ik 't neet vur 't geld dooj, maa vur waat ze hee "significance" neume. Suukses kunde maete, significance lekker neet, maa muk wal minstus zoveul indruk op de gewoehne mins.


Woej ging daat ôk al wèhr: "Koning keizer admiraal, sch...tte motte ze allemaal". Dooj maa gewoehn daan doode al gek genoog!


de groete aa gans Lottum en iederiejn dehn dit lus

En mien reactie op 22 april 2010:

Oh, nou zeej ik ‘t: California in Amerika!!! Dát leet ok achter Grubbevoars, ma ’n bìtje wieër as Sevenum.


Oeëme Denie: heb ik noch ’s gezee~n in Lottum, ma dát is waal hieël lang geleje. Öw vader en moder kan ik meej ok nog good herinnere. Ma met die twieë Breukerse, allebei met zonnen hárde kop, doa hedde geliek ì, dát kán noeëit good goan. Iënen Breukers is mei al te völ. As ge nì oetkiekt begint dè ruzie te make met zichzelf.
’n Interessant laeve hedde in elk geval waal, met völ aafwisseling zoeë te zeen. Mieër dán samen met öw verkes op d'n Ulsheggerwaeg. Ik heb ok aaltied wille reize en wát ván de wèrreld zee~n. Maar ik heb toch altied de umgaeving ván Lottum as mien thoes gezee~n en ok aaltied gewieëte dát ik oeit wir terug zeuj kómme. Doarum heb ik aaltie~d mien hoe~s aangehalde. OK, ’t is daan waal neet in Lottum, ma toch waal kort in de buurt: in Brokeze.


Ma vurluëpig woeën ik nog in Oeganda. ’n Joar of twieë nog. En of ik hee werk heb vur ennen agrarische bedrie~fs consultant? Mien jöngste dochter haet drie kiepe. En mien vrouw ’n höfke vaan vief beej twieë mè~ter, met boeëne en pinda’s. Die kiepe legge good en de pinda's stoan d'r fris en greun beej, ma as geej ment dát geej doa wát mieër significance aan kunt gaeve, daan ziede ván harte welkom.

Hojje en groete noa Californië

zaterdag 10 april 2010

Finte

Een tijdje geleden stuurde Mariette Kellenaers me de volgende reactie:

Aklere = oculeren (vorige zomer was er een vrouw bij ons in de zaak die zei : "ós jonges zien roëze aklere")

Finte = Iemand die niet graag iets doet, werken bijv. dan werd er vroeger gezegd : "Dé head finte"

Fintwater of Vintwater = wijwater. werd vroeger in de kerk gehaald met flessen.

Palmstuukske = buxus. Vroeger noemde men het palmstruukske, iedereen had het in de tuin. Met palmpasen werden er takjes afgeknipt en mee naar de kerk genomen en thuis achter het kruisbeeld gestoken.


Aklere ken ik wel want dat heb ik zelf twee zomers lang gedaan bij Sraar en Jos Jonkers in Broekhuizenvorst. Die bovengenoemde vrouw had waarschijnlijk geen Latijn gehad op school want dan had ze geweten dat het "oculeren" is, van het Latijnse woord oculus = oog.

Ik heb ook een paar zomers rozen gebonden, bij Breukers Chène en bij Wagemans Tinus. In mijn tijd, eind 50-er/begin 60-er jaren, ging dat nog ouderwets met raffia.

Het woord “finte” (= kuren, streken?) kende ik niet. Het verschijnsel wel. Komt veel voor. Niet alleen in Lottum, maar in de hele wereld. Zelfs hier, bij mij in huis.

Fint- of vintwater heb ik ook nooit gehoord. Wij noemden het wiejwater en het werd thuis in een speciale aarden kruik, met een kruis erop, bewaard op de slaapkamerkast van mijn ouders. Wij hadden op alle slaapkamers kleine wijwaterbakjes aan de muur hangen en bij het opstaan en naar bed gaan moesten we, van pa of van god zelf, dat weet ik niet meer precies, met dat water een kruisje maken. Daar deed ik braaf aan mee want in die tijd bestond de hel nog dus je moest een beetje uitkijken.

In de kerk had je een grote wiejwaterbak, een bassin ingemetseld in de muur bij de ingang en je moest er bij het binnenkomen en verlaten van de kerk even je vingers indopen een een kruis maken.

Zo’n door pastoor gezegend palmtakje zat bij ons ook altijd achter het kruisbeeld en ook achter de wijwaterbakjes meen ik. Op de foto, gemaakt in onze huiskamer op de Bonenkampstraat 14 (gekregen van Frans Gommans, maar hij moet gemaakt zijn door mijn pa) kun je het kruisbeeld zien hangen, in de hoek boven de kachel. Een beetje naar links hangt een poster van de H Maagd Maria, waar mijn pa een grote fan van was.



Zittend vlnr op de foto: kapelaan Verstegen (die van de mis met twee heren en kapelaan), aalmoezenier Frederiks (onlangs overleden), Toon Philipsen, die na ons vertrek in 1962 in dat huis is gaan wonen (zie ik dat goed, zit die nou bij pater Frederiks op schoot?), Hay Nelissen, Sef Coenders. Staand vlnr: Ger Peters, Jan van Dijk en Piet Hovens.

De twee weken voor pasen zijn we even op en neer gevlogen en hebben we thuis in Broekhuizen doorgebracht. En toen ik, uitrustend van het winkelen, in de Compagnie in Nijmegen een kop koffie dronk viel me nog het oer-Lottumse woord “kompeneej” in: gezelschap.

En daarmee zijn we aangeland bij 350 Lottumse woorden. Op naar de 400.

vrijdag 26 februari 2010

Foeës gekrebbel

Nog maar eens een paar Lottumse woorden die me pas ingevallen zijn of ingefluisterd: flatse, krebbele en foeës.

Eerst maar eens flatse: zakken voor een examen

“Hè~t Mientje nou 't reejbewie~s al?”

“Nè~è, ze is alwir geflatst. Vur d'n twelfde kier al. Rè~ch door reeje, dát göt waal, ma dreije dát kán ze nog nì zò good.”

“Hey van Gool, waarom moet dat nou weer Mientje zijn die flatst? Waarom niet Wiel of Jeu? Flauw, altijd maar weer vrouwen voor de gek houden. Vrouwen kunnen veel beter rijden dan mannen. En wat zou er van de mannen terecht komen als er geen vrouwen waren? En hoe vaak ben je zelf wel niet geflatst?”

“Eh, daar heb ik het eigenlijk liever niet over, maar als ik eerlijk ben: vier keer. Twee keer voor het auto-rijbewijs en twee keer met de motor.”

Tsja, het rijexamen was kort na de oorlog ook veel gemakkelijker. Mijn oom Hay Jonkers deed zijn examen aan de Markt bij Broekmans Toeën voor de deur. "Reej 's 'n stukske nao veure" zei de examinator en Hay schakelde in de eerste versnelling en reed een meter of 30 vooruit. "Kunde ok drei~e?" vroeg hij. "Ja schon" zei Hay en daarmee was de examinator overtuigd van Hay zijn rij-capaciteiten en was hij geslaagd.

Volgende woord: krebbele: met een pen of potlood zo maar wat krassen op papier.
Dat deed ik op de bewaarschool als ik van juffrouw Mien wat moest tekenen maar geen artistieke inspiratie had en helemaal niets kon verzinnen. Dan begon ik maar wat te krassen.

En Debbie van Deelen stuurde me het woord foeës. Ze wist niet precies wat het betekent. Een kruising tussen loom en lamlendig dacht ze. Het is in elk geval een mooi oud Lottums woord, hoewel ik vermoed dat het van het NL woord "voos" komt. Maar helemaal hetzelfde is het zeker niet want ik weet wel wat vozen is, maar van foeëze heb ik nog nooit gehoord.

Ik denk dat Debbie gelijk heeft en dat het iets betekent in de richting van: moe, lui, loom, lamlendig, vadsig.

“Stien, lopte mei noa de Maas?”

“Nè~è, ik blie~f lever thoe~s. Ik veul meej zò foeës as unnen alde petat.”

“Môtte 's kieke wát ôs Truus doa foeës op d'n divan lee~t.”

Is het zoiets? Wie weet het?

En wie weet er trouwens nog wat een divan is? Wij hadden er een in de huiskamer staan, ’n soort bank met een hoofdeinde en een lage leuning aan de achterkant. Meer een bed eigenlijk. En meer om op te liggen dan op te zitten. Onze divan is bij de verhuizing in 1962 in Lottum gebeven. Geen idee wie hem geërfd heeft. Is hij naar de Melderse verhuisd? Of in de Bergsche koel beland?

zondag 7 februari 2010

Tante An - deel 4: Har in het hemelrijk

In het stukje van een paar weken geleden over mijn tante An schreef ik al dat ze gevoel voor humor had en onverwachte talenten. En dat ze ooit eens de aankomst van Harrie Jonkers in de hemel beschreven had. Dat verhaal staat in een schoolschrift en dat heb ik gisteren overgetypt (met hulp op 6000 km afstand van mijn nicht Ankie van de Kroe~tpers). Een paar schrijffouten heb ik verbeterd en soms heb ik een zin wat beter laten lopen, maar dit is toch 100% het verhaal, de fantasie en de humor van An. Er staat geen datum bij, maar Harrie is in 1968 overleden en ik vermoed dus dat ze het ook in dat jaar heeft geschreven.


Harrie Jonkers 

Har in het hemelrijk

In een dorpje, vlak bij het Marktplein lag een kruidenierszaak, de VIVO. Ze behoorde aan het echtpaar H. Jonkers Nijssen, in de volksmond Harie en Gretha genoemd. Ze waren de gehele dag druk. Ook was er nog een hulp bij aanwezig, de zus van Gré, die voor het huishouden zorgde en zo nu en dan, als het nodig was, hielp in de zaak.

Har trok er op uit om de waar aan de man te brengen en Gré bediende de klanten die in de winkel kwamen. Tot op zekere dag Har ziek werd en in het ziekenhuis werd opgenomen. Voor Har begon de lijdensweg. Hij heeft het goed aanvaard al viel het hem zwaar, ook dat hij zijn klanten niet meer kon bedienen. Tot op een dag Jezus kwam en zei: “Har we gaan het hemelrijk eens bezichtigen” en Jezus nam Harretje mee naar de hemel.

Toen ze een end op weg waren zei Jezus opeens “ik moet nog eens naar beneden, ik ben vergeten mij te vertegenwoordigen in brood en wijn, maar jij komt toch wel klaar daar boven denk ik”. “Het zal wel lukken” zei Har, ofschoon het toch wel een beetje moeilijk was in het begin. Dan vloog er een reiger tegen je ziel aan en dan een kraanvogel, maar hoe hoger je kwam hoe beter het lukte.

Eindelijk kwam Har aan bij de grote hemelruimte. Hij zag al gauw de grote gouden poort. Har belde aan, het schalde in de ruimte. De deur ging open en een stoere oude man met baard kwam tevoorschijn. “Kijk daar heb je Harretje”. Het was de heilige Petrus die zo sprak. “Ja ik weet er van af, welkom hier”.

Petrus die toch al tamelijk goed wist omtrent het gedrag van Har moest volgens gewoonte het grote gouden boek tevoorschijn halen, en ja daar was de J van Jonkers. Hij bekeek alles, het gedrag van Har. Of hij nooit iemand in de verkoop tekort gedaan had, stond er, en ja misschien had hij een slechte betaler een pondje boter bij de rekening geteld, maar iedereen doet wel eens iets wat niet helemaal juist is. En wat de zedelijkheid betreft was ook niet te klagen. Verder ging Petrus niet. De voornaamste punten waren behandeld en Har werd in de gemeenschap der Heiligen opgenomen.

“H. Petrus”, zei Har “ik zou wel graag als het kan mijn Moeder, mijn Vader, mijn zus Nellie, tante Nel zaliger en oom Handrie enz enz ontmoeten en spreken”. “Dat kan zeker”, zei Petrus, “ik zal eens kijken waar ze zich bevinden”.
Petrus beklom een gouden trap, haalde een pracht verrekijker waar je het hele hemelrijk mee kunt bezien en jawel, hij had ze gezien. “Het is wel erg ver lopen” zei Petrus, “je doet er de tijd maar over, rechts in een hoek zitten ze bij elkaar”. Har liep graag, ofschoon hij toch nog vroeg of er geen vleugeltjes meer waren. “Nou, van die vleugeltjes hebben we afgezien” zei Petrus, “het is meer ouderwets. Dan komt deze, dan die, die met zijn vleugels ergens tegenop is gevlogen en vleugellam is. En vleugelreparateurs zijn er haast geen meer”. “Dat snap ik”, zei Har. Zo trok Har toen maar met de handen op de rug, zoals gewoonlijk, op zoek naar de familie!

Wat je allemaal zag, niet te geloven zo mooi. Muziekgezelschappen, prachtige orkesten enz enz, je kon je vermaken zoals je wilde. In een hoek zat een prachtige jonge mannelijke heilige met een beeldschoon jong Engeltje. Ze zaten zich op hun manier te vermaken. Geweldig wat je zo allemaal zag!

Toen hij nog een eind gelopen had zag hij opeens de eerste bekende: Jeu vd Laak met de heilige Hubertus. Ze waren hun jachtgeweer aan het verzorgen, een prachtgeweer met goud beslagen. Schieten was hun hobby natuurlijk. Ze praatten even samen over de harmonie van Lottum enz en Har trok weer verder, want natuurlijk zou hij in de eerste plaats zijn familie willen zien. Een eind verder zag Har iemand met een hengel. Hij dacht, daar zou ik nou meer voor voelen. In de vakantie op aarde heb ik toch ook een goede vangst gedaan. Hij stapte er op af. “Morgen Heilige Siprianus”, zei Har. “Kent U mij met naam?”, antwoordde de heilige. “Ja”, zei Har, “vanuit het misboekje”. “Voer aan het klaarmaken voor de vangst?”

Nou het was voer, zo fijn en goed, daar zou een gewoon mens op aarde nog zin in hebben. Ze praatten nog even, en Har besloot toch een keer mee te gaan hengelen.

Hij trok weer verder en zag daar in een hoekje een heilige ziel zitten te bidden. “Goedemorgen zei Har, wat aan het sneuzen?” Het was de H. Agatha zo te zien. “Ja” zei de ziel, “ik ben de metten aan het bidden”. “Ja, dat deed mijn zus hier beneden ook altijd” zei Har, “maar van geestelijke ruikertjes hoor je toch niets meer tegenwoordig”. “Jawel” zei de heilige, “er zijn toch nog veel vrome zielen die nog veel bij elkaar vergaren”.
Van die semmel moet ik niks hebben, dacht Har en ging verder, tot hij eindelijk de hele familie, de zielen Jonkers ontmoette. Het was een weerzien, geweldig. Tante Nella zaliger was ook zo gelukkkig, er werd gepraat en gevraagd naar de hele familie en kennissen.

Na een langdurig samenzijn zei Har: “ik moet toch nog even wat kennissen proberen te vinden en bezoeken, ik kom zo gauw mogelijk terug”. Hij zag al gauw genoeg Toon Broekmans en Sir v. Soest. Toon die zich al zo thuis voelde vroeg: “waar heb je zin in Harie, hier kun je krijgen net waar je zin in hebt”. “Nou dan maar een pilsje”, zei Har. Toon rees overeind, floot, maakte een zwaai en het pilsje was zo present.

Toon keek zo gelukkig en zei: “zie je wel, je hoeft maar een teken te geven en je verlangens worden vervuld”. Na zo het een en ander gepraat te hebben ging Har weer verder. Hij zag zo nog de een en ander zoals koningin Wilhelmina, vrouw Teluij, vrouw Pelzer, Mevr. vd Voord die samen zaten te jokeren. Hij ging er even op af. “Ja” zei koningin Wilhelmina, “in de hemel zijn alle zielen hetzelfde, geen verschil, wat ook goed is”. “Jokeren kon ik ook goed” zei Har, “dat heeft Sjaak Nijssen mij nog geleerd toen ik nog op de wereld was”.

Zo voortkuierend werd Har toch moe. Hij zette zich een eind verder neer in het mooie groene gras en viel al gauw in slaap. Har droomde, hij keek door het luik naar beneden en zag Gré in de schuur de flessen sorteren. Hij riep “Gré, kom maar naar boven, hier is het zo mooi en goed”. Maar Gré wist niet wat ze doen zou, het was zo raar, en zei: “ik weet het niet zeker, ik weet wel wat ik heb, maar niet wat ik krijg” (volgens de droom).

Har schrok wakker, zo luidt het verhaal, of er waarheid in zit weet ik niet. We willen maar hopen dat er alles goed is en Har achter de rijstepap met de gouden lepels aanzit. Zo eindigt het verhaal.

An Nijssen Lottum