dinsdag 20 januari 2026
Update 20 januari 2026
1 Aafsmaere aftuigen
2 Aaftrekke 'n scheet laten
3 Aal allemaal
4 Aalzelaeve altijd
5 Aanhisse ophitsen
6 Aechterbóks paardentuig dat over het achterwerk wordt gelegd
7 Aek azijn
8 Aektes salamander
9 Aevel hoe dan ook, sowieso (zie ook evvel)
10 Alt oud
11 Aling/alik heel
12 Amazuur blaasvermogen (van muzikant)
13 Ampersant en passant, tegelijkertijd
14 Aniëna aan elkaar
15 Arig vreemd, verdacht, raar
16 A-schete, nao-schete gerven doorgeven
17 Aventatie ontspanning
18 A-werk een begin maken
19 Babbeltje snoepje
20 Bag big
21 Baktand kies
22 Bam, Bemke boterham, kwart van een boterham
23 Bandele hoepelen
24 Baom bodem, achterwerk
25 Battere op en neer lopen
26 Bats bil
27 Begaaje buffelen, volvreten
28 Begien non, zuster
29 Begoavings stuipen, toeval, vallende ziekte
30 Beie bidden
31 Bèkrat scheldwoord
32 Bels België, Belgisch, Belgisch trekpaard
33 Bergemuuske verstoppertje
34 Betoepe oplichten, belazeren
35 Betske partje van een sinaasappel
36 Bieëstig zeer, erg
37 Bier beer (varkenspappa) (en beer = bier)
38 Biggárts doorgeschuurde billen
39 Bleik bleek, gazon
40 Blöke, bloake walmen
41 Blutse kneuzen, stoten
42 Booch bed
43 Boebs blut, platzak
44 Boekèl boeman
45 Böke huilen
46 Bóks broek
47 Bokstevast kinderspel
48 Bókes boekweit
49 Bóttermelk karnemelk
50 Boute schijten
51 Bouwe/umbouwe (om)ploegen
52 Brag opgeschoten jongere, tiener
53 Brambaere bramen
54 Britje opstaande klep van een kar
55 Broensig bruinachtig
56 Buize zuipen
57 Bummik kuus, botte kop, bèr ván unne kel, onbenul
58 (Kár)Burries twee palen aan een kar waar het paard tussen ingespannen wordt
59 Buutje klein teiltje
60 Dabbe met de handen/poten graven
61 Daes paardevlieg
62 Dazele trillen
63 Del ('n) 'n hoop, aantal
64 Deem speen van koe, geit, schaap
65 Doebdeksel klein persoon
66 Doeën beej dichtbij
67 Doorslaag vergiet
68 Dotsele vergeetachtig zijn
69 Dotseltante vergeetachtig persoon
70 Draeger bagagedrager
71 Drats koffiedik
72 Drei snel
73 Dreig ondiep (bv ondiep ploegen)
74 Drek onkruid
75 Dreksbak afvalemmer
76 Dreksblek veger en blik
77 Driet modder, vettige zooi
78 Droasbóks enigszins lachwekkend figuur
79 Duchtig flink
80 (neet) Duëge (niet) deugen, (niet) in orde zijn
81 Duk vaak, dikwijls
82 Dumpel deuk
83 Efkes even
84 Emus, immes iemand
85 Ertsbaere aardbeien
86 Evvel evenwel (zie ook aevel)
87 Falie (nákse) blote kont
88 (unne) Fátse alleenstaand mens zonder relatie, speelkaart die nergens bij past
89 Feep (alde) fluitje van een korenhalm, oude vrouw (niet erg eerbiedig)
90 Fiemel tic, afwijking, hobby
91 Fiespernöle / fiespernöleke knutselen, peuteren, heen en weer bewegen
92 Fimpe met vuur spelen
93 Finaal helemaal
94 Finte kuren, streken
95 Fintwater/Vintwater wijwater
96 Flatse zakken voor een examen, ondiep omploegen
97 Flet anjer
98 Flies tas, uier
99 Flimp, flint aanmaakhoutje
100 Floetere opscheppen
101 Foeës loom, lamlendig, vadsig
102 Foepere hupsen, wipperen, ongedurig bewegen
103 Foetele vals spelen, sjoemelen
104 Fómpe roken
105 Fossiëne aanmaakhout, takkenbos van wilgetenen (3 m lang)
106 Frotte klungelen
107 Frunsele kreuken, rimpelen
108 Gaaie aanstaan, bevallen
109 Gaar neet helemaal niet
110 Gaer graag
111 Gans helemaal
112 Garepaap halve gare, libelle
113 Gas (unne) groepje van 8 schoven rechtop gezet, een aantal
114 Gats steegje
115 Gavel hooivork
116 Gedeuns gedoe
117 Geer gierig
118 Gérepin gierig persoon
119 Gelenkig lenig
120 Gèle verf geelzucht
121 Gelint draadomheining wei
122 Gèlp mals
123 Gen erg hebbe in niet in de gaten hebben
124 Gerf garf, bos graan
125 (Vis)gert vishengel
126 Geschieër gereedschap, (paarden)tuig
127 Gevraet smoel, scheldnaam voor gezicht
128 Gewaere begaan
129 Gèje wieden
130 Ginnik homovarken
131 Godmejaar uitroep van ergernis, allejezus (of zoiets)
132 Graaf sloot
133 Grei spul
134 Greize mokken
135 Greke sjachrijnen, zaniken
136 Greuzele glimlachen, binnenpret hebben
137 Griezele kiezeltuintje opharken
138 Groeëte kant groep 2 van de kleuterschool
139 Gröts trots
140 Gruts goot
141 Gunne kant overkant
142 Guns ginds, 'n eind weg
143 Haffel handvol
144 Haffele, gehaffel klungelen, geklungel
145 Hankholt lichtgebogen stammetje om geslacht varken aan op te hangen
146 Hanneke varkensmaag gevuld met restanten: oren, staart, enz
147 Has bijna, haast
148 Hemprok onderhemd met korte mouwtjes
149 Hemelbieësje lieveheersbeestje
150 Hesses/hasses jakkes
151 Hets hitte
152 Hieëp hakbijl
153 Hisse knieholtes
154 Hof tuin
155 Hoarepluk oud Lottums gebruik
156 Hojje dag (afscheidgroet)
157 Hómmelbiësje klein zwart insectje dat opduikt als het gaat onweren
158 Hómmele onweren, donderen
159 (alle) Hondsgezeike dingen die (te) vaak gebeuren
160 Hort kippenzitstok
161 Hortig gehaast
162 Hörtje (eier)rekje
163 Hötje slappeling, bangerik zielepoot, kleine ui (hötle loeëk)
164 Houwe slaan
165 Hovèr, hovèrig hovaardig, verwaand, groots, hoog in de bol
166 Hudsel halster (ook: BH)
167 Huiwage langpotige spin
168 Hummele stamelen, wauwelen
169 Hunsele hinniken
170 Huët opstaande voorkant van kruiwagen
171 Huukskes hurken
172 Huuske wc
173 Illik bunzing
174 Inkkater eekhoorn
175 Inkketske eekhoorntje
176 Intrint/untrint bijna
177 Jasse slaan
178 Jimmy schoon eerste lage schoenen in de 30-er jaren
179 Joeks lol, plezier
180 Joerts huismus
181 Joetse, op de joets zien op stap zijn
182 Jöke wiebelen, wippen
183 Ju ho, stop, halt
184 Juks jeuk
185 (bìjje)Kaaër (bijen)korf
186 Kaafrot helemaal rot
187 Kaduuk kapot, versleten, zwaar beschadigd
188 Kaere vegen
189 Kaffe blaffen, hoesten
190 Kaldeschieter koukleum
191 Kalde schóttel aardappelsalade
192 Kamezöl groot lomp ding
193 Kampraad tandwiel
194 Kanedas Italiaanse/Canadese populier
195 Kappes kool
196 Kárkling Trekketting voor kar en wagen
197 Kárstelt steun onder burrie en kar
198 Keduuk kalm, rustig (hald ów keduuk)
199 Kenne boter karnen
200 Keps leeg, op (keps gezoape)
201 Kel man
202 Kelderverke pissebed
203 Kerboet balkenbrij
204 Kerdieze smullen, schransen
205 Kettere hard rennen
206 Ketterschoon gymschoenen
207 Kieëbig guitig
208 Kieps pet
209 Kierke big
210 Kietelstieën afgeronde kiezelsteen
211 Kloar kómme (met elkaar) goed met elkaar op kunnen schieten
212 Klats / kletske hoeveelheid
213 Klatse, klaatse slaan
214 Kleek / kleke spuug, rochel / spugen
215 Klef talud, helling
216 Kleine kant groep 1, kleuterschool
217 Klender kleiner
218 Klets (de) griep, verkoudheid. de klets weg krie~ge: ziek worden
219 Kletske restje
220 Kleug / kluchtig lol / lollig
221 Klieëd / kledje jurk / jurkje
222 Klómpenägelkes kleine stalen spijkertjes
223 Klots, Klötskes gekloofd brandhout
224 Klotskop scheldwoord
225 Kluntjeswek suikerbrood
226 Knabbe handgrepen van de zeis
227 Knam, knats (knats vol) helemaal
228 Knammels
229 Knapbus van vlierhout gemaakte proppenschieter
230 Knapkook koek
231 Kneie kneden
232 Knets slijk, natte sneeuw
233 Kneuzele knoeien
234 Kniens dwars, tegendraads
235 Knienswrang stelsel van konijnengangen
236 Knoaje mopperen
237 Knoak bot, onverschillig persoon
238 Knóddele knoeien
239 Knoep(ert) bult, knop, groot ding
240 Knoers kraakbeen
241 Knoevele knuffelen
242 Knómmel, knammel slechte kwaliteit, rotzooi
243 Knozel soort mug
244 Knure hard werken
245 Knutse, bv geknutst ei deuken, ei met gedeukte schil
246 Koaje kaantjes
247 Kodde korstjes in de ogen
248 Koekoeksspeej hars
249 Koes varken
250 Koetele ruilen
251 Koeëvlaai koeiestront
252 Kök gazeuse
253 Köke boeren
254 Kómkómmer augurk
255 Kompeneej gezelschap
256 Kóntepepeer toiletpapier
257 Koppien hoofdpijn
258 Krab sleuf, spleet (háj ik ok ma zonne krab)
259 Krangs, unne krangse dwars, dwarsligger
260 Krangs um binnenste buiten
261 Kratse krabben
262 Krebbele krassen op papier
263 Krek (good) net (goed)
264 Kriege (krieg ów ma 'n kukske) pakken
265 Kriemel(e) jeuk(en), kriebel(en)
266 Kriëmer kramer, venter
267 Kroaze hard rijden, scheuren, hard werken
268 Kroche hoesten
269 Kroet stroop
270 Kroetpárs stroopfabriek van Van Soest
271 Kroetwis bloembos gemaakt van kruiden en granen en vruchten (cultuurgebruik)
272 Kroednagel sering
273 Kroeëte rode bieten
274 Krötje klein kindje, kleine mens (culot)
275 Krujer schooier
276 Kruuske gekruiste vingers bij tikkertje
277 Kui hok
278 Kuite voetballen op één goal
279 Kummelijk kwetsbaar, zeikerig precies
280 Kuulkedrolle knikkeren
281 Kuume kreunen, hijgen, persen, hard werken
282 Kuus breed geschouderd, athletisch gebouwd type
283 Kwaakmoel schreeuwer
284 Kwagge/kwieme jonge vogels, verwaande meisjes
285 Kwake schreeuwen
286 Kwakel denneappel
287 Kwazel/kwazele flauwekul, onzin/onzin vertellen
288 Kwekvors kikker
289 Kwellik nauwelijks, net, pas
290 Kwikband riem onder paardenbuik tegen het opkiepen van de kar
291 Kwojje slechte
292 Laeze uitsorteren van zaden, bv mais, bonen
293 Leis lange teugels (voor aangespannen paard)
294 Leknaas iemand die niks lust
295 Lier ladder
296 Lichtig meestal
297 Ligreem riem over het paardenzadel waarin de karburries rusten
298 Litsen bretels
299 Löbbes goeiige sul
300 Loeëk uien
301 Loemele vodden
302 Loeëzie horloge
303 Loeriezer bril
304 Maelkorf Vlaamse gaai
305 Mallekes prutser
306 Mangelwortel voederbiet
307 Manskel, mansluuj man, mannen
308 Meeshoak riek met haaks opstaande tanden
309 Megje meisje
310 Meid verloofde
311 Meizoentje madeliefje
312 Mej soms, ook: berkenboom, berkentak
313 Melder merel
314 Melme stofbad nemen (vogels)
315 Middáág 12 uur 's middags
316 Míddaag namiddag
317 Miechele smullen
318 Mieëke klaaglijk zeuren
319 Miemer aalbes
320 Mieske katje
321 Miet stromijt
322 Miezele motregenen
323 Mins (miene) echtgenoot (mijn)
324 Mispel, meespel wesp
325 Mo moeder
326 Moa uitroep van verbazing
327 Moal koe die voor het eerst gekalfd heeft
328 Moeëk geheime bergplaats
329 Moeke slijmen, loven, prijzen, stimuleren
330 Moelbaere bosbessen
331 Moele praatjes maken, schelden
332 Moelemaeker praatjesmaker
333 Moer waterketel
334 Moet, moetwörm mol
335 Moets, muutske korstje, kontje van de wek
336 Moetse dutje doen
337 Mök, mökske kalf, jonge koe die nog niet gekalfd heeft
338 Moor vrouwelijk konijn
339 Möp kooswoordje voor jonge meisjes, ook: flapdrol
340 Möppig duur, heet
341 Mós kool
342 Muuskes biceps
343 Naeve naast
344 Nagel spijker
345 Náks naakt
346 Neej nieuw
347 Nemus niemand
348 Netse plagen
349 Noavenant naar verhouding, relatief
350 Neuke etteren, klieren, vervelend doen
351 Nieje sterke ontkenning
352 Nöle zanikken
353 Nondejuuke vlinderstrikje
354 Nuëj ongraag
355 Nuëje uitnodigen
356 Nuëtelik snel op de teentjes getrapt
357 Nut, nutte, nutterik, nutzak slecht, smerig, kwaad, gevaarlijk, slechterik
358 Nuzzik schouderdoek voor vrouwen
359 Oelig klein
360 Oeligerd klein wezen
361 Oers rood-bruine, ijzerhoudende grond, ijzererts
362 Oetdoon rooien, uitmesten
363 Oetschoebe de les lezen, uitschelden
364 Olienutje pinda
365 Onaeve onaardig
366 Onbenirlijk onbarmhartig, ontiegelijk
367 Ophöffe optillen
368 Opstoeke iemand aanzetten tot iets
369 Ozel(e) kou (lijden)
370 Paek laurierdrop
371 Pannestaart kikkervisje
372 Pársvleis huidvlees
373 Peg houten spie, naam van de Gekke Moandaagvereniging
374 Peer regenworm
375 Peezerik omhulsel van varkenspenis (gebruikt om gereedschap in te vetten)
376 Peits paardenzweepje
377 Penanty strafschop
378 Perdsgeschier paardentuig
379 Perdusie medelijden
380 Petatte aardappels
381 Pin, gérepin gierig persoon
382 Piepwörsjes kleine worstjes
383 Piers perzik
384 Pimpklökske kleinste luidklokje
385 Pimpy babykrul
386 Pindroad, pundroad prikkeldraad
387 Pinkele spel met hout 20cm lang, diam 3 - 4 cm
388 Pinkes haarkrullers
389 Pips bleek
390 Pitsers dennenaalden
391 Pispötjes bloemen van hagewinde
392 Plak veld, perceel grond
393 Plakke opschieten
394 Plare klungelen, prutsen
395 Plat dialect
396 Plats rond brood
397 Pleksel lijm
398 Pletske koekje
399 Ploens flinke scheut vloeistof
400 Pluut, Pluutje mes, mesje
401 Poekel rug
402 Poelepetate parelhoenders
403 Poem (dieke) dikke vrouw of meisje
404 Poerikke wroeten
405 Poes (haor, graas) bos (haar, gras)
406 Poes boomstronk
407 Poesaerd humus, potgrond uit boomstronk
408 Poesiezer zware stootbeitel, ijzeren paal met uiteinde als van een bijl
409 Poet buit
410 Poetje paardje
411 Pöliezer grote steekpen
412 Pómpestiën aanrecht
413 Porte druk bezig zijn maar niets presteren
414 Potterskas spaarkas in café
415 Prazel onzin
416 Prazele onzin vertellen
417 Preugele vechten
418 Proas luie stoel, leunstoel
419 Proem plotselinge hoeveelheid, bv proe~m gas
420 Próngeluk per abuis, niet opzettelijk
421 Pruumkes rozijnen
422 Pruumkeswek rozijnenbrood
423 Pruuse Duitsland, Duitsers
424 Puëtje trekke varken dat geslacht wordt pootje haken
425 Pulf beddek gevuld met veren of korenkaf
426 Puine kweekgras
427 Pulle jonge kippen, jonge meisjes
428 Pullike peuteren
429 Pupse korstjes in de ogen
430 Qualme walmen
431 Raadgek (gek as 'n kárraad) knettergek
432 Ram helemaal
433 Rats helemaal
434 Razele rillen
435 Remmel mannelijk konijn, kwajongen
436 Richtig echt, juist
437 Roakeliezer/rökeliezer pook
438 Roaf, röfke wondkorst
439 Roas plag gras
440 Roetsbaan glijbaan
441 Roetse glijden
442 Rosdook onder kar hangend draagdoek
443 Rulse stoeien
444 Ruiter driepoot om hooi op te laten drogen
445 Ruzele ruien
446 Sanikbóks zeurpiet
447 Schalevaeger schavuit, deugniet
448 Schans takkenbos
449 Schárkukske nakomertje
450 Schárre scharrelen
451 (Brille)schei (brille)étui
452 Scheters buurjeugd
453 Scheuteling halfwas
454 Schietmael melde
455 Schievele platte steen over het water laten stuiteren
456 Schievelstieën platte steen
457 Schink ham
458 Schóbbe ongegeneerd krabben
459 Schóddere schuifelen
460 Schóddervot iemand die ongemakkelijk schuifelt
461 Schoeks niet recht, niet haaks
462 Schoepe stelen, jatten
463 Schoester schoenmaker
464 Schókkele schudden
465 Scholk schort
466 Schon (ja schon) jawel, wel degelijk, al
467 Schoop platte schop
468 Schoor onweersbui
469 Schoow bang
470 Schop open schuur
471 Schörge kruien, met 'n kruiwagen rijden
472 Schóttel bord
473 Schóttelslet vaatdoek
474 Schouw schoorsteen
475 Schrauwe huilen
476 Schravele onhandig voortbewegen
477 Schriëpel (schriëper) dun, mager, schamel
478 Schroam (meervoud: schröm) kras, schram
479 Schroebe schrobben
480 Schroebgat afvoergat in de buitenmuur
481 Schroet kalkoen, arrogante meid
482 Schroevele op en neer schuiven, bv op fietszadel
483 Schröm geld
484 Schupe struinen, schooien, bedelen
485 Schurden (dors)vloer in de schuur
486 Schurge schuren
487 Schuttelke bordje
488 Schuumke trekke schuim van laurierdrop opzuigen
489 Schuvere rillen
490 Schwaegelstekke lucifers
491 Slam steenkoolslib
492 Slangkómkómmer komkommer
493 Slet doek, lap
494 Sletje verband
495 Sliddere glijden
496 Slieëj tand droog aanvoelende tanden
497 Slieps stropdas
498 Slieëne sleedoorn
499 Sluëp kram
500 Slup schoot
501 Smaer slaag
502 Smekke smakken onder het eten
503 Smele gras op heideveld, haren
504 Smelentós graspol van smelen
505 Smik zweep
506 Smoezele motregenen
507 Snammel stukje draad, lap, touw
508 Sneejer kleermaker
509 Snel autoped, step
510 Snelluëper autoped, step
511 Snierke roken
512 Snótlap zakdoek
513 Snubbike snuffelen, zoeken, scharrelen
514 Snutte pakken, grijpen
515 Snuupke snoepje
516 Sókkersteel zuurstok
517 Spaje spitten
518 Speer (gen) halm, spriet, spier haar. met gen er voor: niets
519 Spegele afgunst uitlokken
520 Speje spugen, overgeven
521 Sperjes asperges
522 Spienze loeren
523 Spinnejaeger ragebol
524 Spitse (zich) zich verheugen
525 Spoes, spoeskop wilde, onverzorgde haardracht, krullen, krullenkop, kroeskop
526 Spooje (zich) (zich) haasten, opschieten
527 Sproan spreeuw
528 Sprung bron, wel
529 Staats geweldig (staats geammeseerd)
530 Staekschup schop (om mee te spitten)
531 Stale op lijken op
532 Stalriëpel stalpaal om vee aan vast te binden
533 Stanketsel schutting van spijlen
534 Stártepötje steelpannetje
535 Stártpenke steelpannetje
536 Statie station
537 Stechele redetwisten, ruziën
538 Stekbaere kruisbessen
539 Stekrubbe koolrapen
540 Sterreflikker sterretjes (kindervuurwerk)
541 Stevels laarzen
542 Stieb stut
543 Stinkers Afrikaantjes, Tagetes
544 Stoebe paardebloemen
545 Stoek elektrische schok
546 Stoekdroad schrikdraad
547 Stoep, stuupke trottoir, stoep
548 Stoeëtschup schop met rechthoekig blad om wortels door te steken
549 Stoeks scheef
550 (De) Stort bijkeuken met 'n afvoergat in de buitenmuur
551 Straevele redetwisten, ruziën
552 Strang strak
553 Strank touw aan bit om vee te leiden
554 Strèkel deugniet, wetplank voor zeis
555 Striekers lucifers
556 Strietse jatten
557 Strik stropdas. Ook strop om wild te vangen
558 Stroekekster scheldwoord
559 Stróntse opscheppen
560 Ströb/Strubbe bengels, vervelende jongens
561 Stücker stucadoor
562 Stuute prijzen
563 Stuutje broodje
564 Stuutjes griepe broodjes vangen; oude Lottumse folklore bij bruiloften
565 Taek tikkertje
566 Tár teer, bitumen
567 Tas kop (thee, koffie)
568 Taterechtig opstandig, opspelend, sjachrijnig
569 Tattie vies spul
570 Telder bord
571 Tes broekzak
572 Tesnuzzik zakdoek
573 Teur pin waaraan koe of geit vast zit
574 Tiel rij met hoopjes mest: 'n tiel mees.
575 Tif sperma
576 Tijne wilgetenen
577 Tisnaas leknaas, iemand die niets lust
578 Tod lap
579 Toddekel voddenman
580 Toddezak niet netjes gekleed persoon
581 Toe dicht
582 Toeën onverharde weg (Krómmen toeën)
583 Toep top, punt, schoenneus
584 Toepe kaartspel
585 Toetoet auto (kinderwoord)
586 Tómp / tumpke stuk, hoek, uiteinde / hoekje, stukje
587 Tóntele met vuur spelen
588 Toemel troep, rotzooi, geplaar, niet gemakkelijk, gedoe
589 Töppe inkorten
590 Toer traditionele vrouwenhoofdbedekking (klederdracht)
591 Toet blaasinstrument, toeter, claxon
592 Toesse / umtoesse ruilen /omruilen
593 Tosse om de oren slaan, vuurtje stoken
594 Toter vies spul
595 Trek lade, tocht (op d'n trek = in de tocht)
596 Trekke tochten
597 Tricot, triek trui
598 Triezele bibberen, rillen, trillen, stuiteren, ronddraaien met twee
599 Tuut kip
600 Tumelemuutske koprol
601 Uëj verlegen, bleu, tam
602 Uige kijken
603 Umtrekke omkleden
604 Va vader
605 Vaaj vouw, rimpel
606 Vaaje toevouwen
607 Vaeg meisje of vrouw die niet met zich laat sollen
608 Vaeme slaan, meppen
609 Vas alvast
610 Velling velg
611 Vent gecastreerde ezel (zoals ruin bij paarden)
612 Veraevevöls onverschillig
613 Verdusie vertrouwen
614 Verduusseld bewusteloos
615 Verkámmezöle verprutsen
616 Verkèt vork
617 Verkeskiëbus varkenskop
618 Verkeskiek starende blik
619 Verkienze dementeren
620 Verroepzakke verpesten, moedwillig vernielen
621 Verrig klaar
622 Versiel fijngehakt aanmaakhout
623 Verteure verplaatsten van pin waar koe of geit aan vast zit
624 Vès net, pas geleden, alvast
625 Vet (aan) bijzonder op elkaar gesteld, verliefd
626 Viezele knoeien
627 Ville kwellen, pijn doen
628 Vimpe / fimpe met vuur spelen
629 Vlimme stekelige kaf van gerst en rogge
630 't Voare poort, doorgang (voare = tolpoort)
631 Voargát opening in 't gelint, inrit van een wei = voare
632 Voeël lui
633 Voelike luieren
634 Vóórschóttel voerschotel, schep
635 Vort voortaan
636 Vot kont
637 Vottetes achterzak, kontzak
638 Vreeje verkering hebben
639 Vreejer vrijer
640 Vreigele schuren
641 Vrek, vrech brutaal
642 Vreklap brutaal iemand
643 Vreute wroeten
644 Vrommes, vrouwluuj vrouw, vrouwen
645 Vulke veulen
646 Waai klap, 'n waai um de oere
647 Waerd waard, wei aan de Maas
648 (Zich) Waere / Ware zich verdedigen, oppassen, voorzichtig zijn
649 Waers dwars, stijfkoppig
650 Waersholt dwarshout waar geslacht varken aan opgehangen wordt
651 Wage wagen, auto
652 Wah hè
653 Waltje tekkel
654 Want handschoen (ook met vingers)
655 Wap (van de) wijs (van de)
656 Wappere slenteren
657 Wasse groeien
658 Watse slaan, um de oere watse
659 Wazel onzin
660 Wazele onzin vertellen
661 Wek brood
662 Wiks schoensmeer
663 Wieë pijn
664 Wies tot
665 Wiet ver, ook: tarwe
666 Wiets stok, twijg, mop
667 Willewoepe tuinbonen
668 Wings scheluw
669 Wroebel wasbord
670 Wuilus lobbes
671 Wulleboeëne tuinbonen
672 Zaal zadel
673 Zalt zout
674 Zátvraeter leknaas, iemand die altijd klaagt over het eten
675 Zauwel koffiedik
676 Zauwe maken van een (strooien) bijenkorf
677 Zeeg tam, mak, zachtmoedig
678 Zeech kortstelige zeis, zicht
679 Zeechtewerf steel met handgreep van zicht
680 Zeikkelder gierkelder
681 Zeikschöpper gieremmer
682 Zeissesnaoj steel van zeis
683 Zekdempel, zeiker mier
684 Zeumere aren rapen na het maaien
685 Zoebele sabbelen, duimen
686 Zumpe zeuren, huilen
687 Zuutjes zachtjes, langzaam
688 Zwaegel, zwaegelstökskes lucifers
689 Zwaegele opscheppen (Rutten Hand)
690 Zweel eelt
691 Zwelf zwaluw
692 Zwens slaag, rammel
Abonneren op:
Reacties (Atom)