dinsdag 30 september 2008

Jong Nederland


Foto's: Jong Nederland Horst
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Korte manchesterse broek, khaki hemd, halsdoek, alpinopet, dat was het Jong Nederland uniform en zo gekleed gingen we elke woensdagavond naar het KJV huis. Er was een GL (grote leider?), hopmannen, vaandrigs, pelotons, aalmoezenier, uniformen, emblemen en insignes, militaire groet ..., 't is dat we geen mitrailleurs hadden maar voor de rest had het veel weg van een bataljon kindsoldaten. En als je de namen van de pelotons bekeek: Buffels, Herten, Vossen, zou je ook kunnen denken aan een dierentuin in plaats van een jeugdvereniging.

Op het einde van de avond werden we in carrévorm opgesteld en in de houding gezet. Dan werd er eerst gebeden natuurlijk en daarna riep de hopman als afsluiting: JONG NEDERLAND, en de hele meute schreeuwde dan uit volle borst terug: PARAAT! Een beetje een enge, militaristische club als ik daar zo nog eens aan terugdenk, een soort Hitlerjugend. Daar zou ik mijn zoon nooit op doen, maar mijn pa was de GL en hij had Jong Nederland opgericht, dus ......................

Gerrie en Leo Peters, Piet Hovens, Sef Coenders, Hay Nelissen, Toon Philipsen waren de hopmannen. Van de vaandrigs kan ik me alleen Leo Clabbers nog herinneren en Chrit Lenssen. De eerste aalmoezenier heette Linders en toen die vertrok kwam pater Frederiks.

Een peloton bestond uit een man of acht. De Vossen waren mijn peloton. De leiding was in handen van een PL (pelotonsleider) en een APL (adjunct PL). Ik was, na een spannende verkiezingscampagne tot PL van de Vossen gekozen. ’t Zal wel geholpen hebben dat mijn pa de leiding had van de club. Peter Verheijen werd APL.

Op zo'n woensdagavond leerden we knopen maken: mastworpen, platte knopen en oude wijven, en we deden allerlei wedstrijden, maar waarin weet ik eigenlijk niet meer.

En dan kwam de zomer en het hoogtepunt van het Jong Nederland jaar: HET KAMP. Tenten, potten, pannen, dekens, kleren en weet ik wat nog allemaal op de vrachtwagen van Piet vd Berg en wij op de fiets naar Baarlo.

Het kamp was bij een boer op het erf. Elk peloton had een eigen kampje met een tent, waarin je sliep op een stro-zak. De tafel en twee banken werden gemaakt van houten stammetjes. Het was geen Club Med kamp, geen 3 sterren accommodatie, je zou er de jeugd van tegenwoordig niet meer naar toe krijgen, kijk maar eens naar de foto's die ik vond op de web site van Jong Nederland Horst. Ons kamp zag er precies zo uit. Bij de ingang van elk kampje werd de pelotonsvlag opgehangen, met een hert, buffel, vos etc. er op. Er moet door moeders en zussen heel wat afgeborduurd zijn in die tijd.

Zoals in het leger: elke ochtend en avond appél: iedereen in carrévorm opgesteld en dan de hele show: bidden en vlaggen hijsen en "jong nederland paraat" en zo. Wat we verder allemaal deden, behalve koken, eten en afwassen, kan ik me niet eens meer herinneren, maar het was wel allemaal heel spannend.

In de 50-er jaren ging er nog niemand op vakantie naar Spanje, dus twee weken van huis weg naar Baarlo was een heel avontuur. Behalve voor mij dan, want mijn hele familie ging mee op kamp: pa, ma en alle kleintjes. Dat was natuurlijk niet echt op kamp.

Twee keer ben ik mee geweest; in Baarlo en het jaar daarop in Maasbree. Ik weet niet meer wanneer ik van JN af ben gegaan, maar ik heb daarna nog wel meegekregen dat de Herten een keer landskampioen werden. Pierre van Dijk, Ger Heinemans, Jo Custers, Arie Snellen en Henk Martens hoorden daar o.a. bij.

Ik heb net even gegoogled en de organisatie Jong Nederland bestaat nog steeds Maar niet meer in Lottum denk ik. Is dat overgegaan in JOL? En bestaat JOL nog wel?

Pater Frederiks werd door zijn klooster overgeplaatst van Horst naar Tilburg in dezelfde periode dat wij naar Oosterhout verhuisden en hij is nog tientallen jaren huisvriend van mijn ouders gebleven. Zo'n beatmis pater die leuk en populair met de jeugd om ging; en een leren jasje droeg; en net een beetje té veel belangstelling voor mijn zussen had. Aardige man, verkeerd beroep gekozen.

zondag 28 september 2008

Lottumse woorden: 121 - 130

121 Ketteren          hard rennen
122 Ketterschoon  hardloopschoenen
123 Kwaggen/kwiemen vogelbabies
124 Kwakel         denneappel
125 Kwekvors    kikker
126 Leis             teugels
127 Lichtig          vaak, meestal
128 Litsen          bretels
129 Loeëk          uien
130 Loemele         vodden

Ketteren. Staat niet in alfabetische volgorde want het dat woord viel me gisteren pas weer in. 55 jaar niet gehoord denk ik. Hard rennen betekent het, en ik had als kind:

Ketterschoon: Dat waren mijn snelste schoenen, waar ik het hardste op kon rennen. Rood waren ze, gekocht bij Funs van Dijk natuurlijk. Van het merk “Robinson” waarschijnlijk want dat waren de beste in die tijd.

Kwaggen: net uit het ei gekomen vogelbabies. “Kwiemen” was een ander woord. Vogelnesten uithalen was een van de hobbies in de lagere schooljaren en als we kwaggen vonden in een nest dan waren we te laat. Die eieren werden uitgeblazen en dan werd er een krans van gemaakt en in huis opgehangen. Maar niet bij ons; mijn pa was een natuurbeschermer en mocht er niks van weten dat ik vogelnesten uithaalde.

Kwakel: denneappel. Die waren erg handig om de kachel of de oven mee aan te maken en in het najaar gingen we altijd met de hele familie het bos in om manden vol kwakels te rapen voor de bakkerij van Jonkers.

Kwekvors: kikker. Als schooljongens gingen we vaak salamanders en stekelbaarsjes vangen in de Roeibeek. "Snorren" had je ook nog, bruine visjes met een hangsnor.
Er waren ook jongens die kikkers vingen en opbliezen: een stukje stro in de kont en dan blazen tot ze uit elkaar spatten. Dat heb ik, eerlijk waar, nooit gedaan.

Leis: de lange teugels van touw waar je een paard mee bestuurt dat een kar of een ploeg trekt. Dat mocht ik altijd doen van ome Sraar. Niet dat het paard zich van mij wat aantrok, die wist zelf wel waar hij heen moest.

Lichtig: meestal. Noa de hoeëgmis get ie lichtig beej d’n Hook efkes ’n glaas beer drinken.

Litsen: bretels. Droegen we in de 50-er jaren om de broek op te houden. Hadden de vorm van een Y: twee elastieken aan de voorkant en één achter, elk eindigend in leren stukjes met twee knoopsgaten die je vast maakte aan de knopen aan de broek, vier voor en twee achter. Was nog best lastig als je voor het grote werk naar de WC moest, zeker als je haast had. Dan moesten eerst al die knopen losgefrunnikt voor de broek omlaag kon.
Later kwamen er moderne litsen, met klemmetjes in plaats van knoopsgaten.

Loeëk: uien.

Loemele: dat woord kreeg ik van mijn zus. Volgens haar is dat Lottums voor vodden.

zaterdag 27 september 2008

Lottumse woorden: 111 - 120

111 Kratsen krabben
112 Krek net, pas
113 Krek good net goed
114 Kriemel(en) jeuk(en), kriebel(en)
115 Kroe~t stroop
116 Kroëten rode bieten
117 Kroe~tpers stroopfabriekje van van Soest
118 Kroe~twis ?
119 Krujer ?
120 Kuumen kreunen


Kratsen: “’t Stet geschreve en gedrukt, ge meugt kratse woa ’t jukt”.

Krek: ’t Is krek gebeurd.

Krek good: “Piet is door ’t ie~s gezakt.” “Dát is krek good, mót ie má nì zò stóm doon.”

Kriemelen: "Mam, ik heb kriemel aan de kó~nt." Wollen truien, die kunnen ook kriemelen.

Kroe~t: stroop. Van appels of van bieten gemaakt.

Kroëten: rode bieten.

Kroe~tpers: het stroopfabriekje van van Soest aan de Opperdonkseweg. In de 70-er jaren is het door ...? Zeegers omgebouwd tot een mooie woning, en ergens in de 80-er jaren is die gekocht door Ger Versleijen en mijn nicht Ankie Nijssen.

Kroe~twis: een bos met bloemen en groenten en fruit er in, maar ik ben vergeten waarvoor het ook alweer was en wat je er mee deed. Ze werden gezegend in de kerk, meen ik, en dan thuis in een vaas gezet.

Krujer: scheldwoord. Ik weet niet hoe ik het vertalen moet, maar mensen die in een woonwagen woonden en handelden in vodden en oud ijzer of langs de deur gingen om messen te slijpen werden krujer genoemd.

Kuumen: wordt het meeste op de WC gedaan denk ik.

donderdag 25 september 2008

Lottumse woorden: 101 - 110

101 Knoers kraakbeen102 Knoevelen knuffelen?103 Knómmel rotzooi, prullen104 Knoa~k bot105 Koaye kaantjes106 Koes varken107 Koetelen ruilen108 Kök gazeuse109 Köken boeren110 Krangs um binnenste buiten

Knoers: kraakbeen. Mooi ouderwets Lottums woord. Maar wel heel vies spul.
Hier in Oeganda vinden ze het lekker, ze houden van knagen. Een van de populairste gerechten is cow foot: een koeiehoef in water gekookt, alleen botten en wit, rubberig knoers. Is goed voor de gewrichten, zeggen ze.

Knoevelen: knuffelen? Mijn zussen hebben me verzekerd dat het een echt Lottums woord is, maar ik ken het niet.

Knómmel: rotzooi, prullen. “Ik halt nì vaan dè seks-knómmel” hoorde ik een Lottumse dame een keer zeggen. Rond 1980 was het, maar ik zal hier geen namen noemen.

Knoa~k: bot.

Koaye: kaantjes. Flink uitgebakken en dan op de boterham. Ze moeten ergens in een varken zitten, maar vraag me niet waar.
In de neus kunnen ze ook zitten, maar dat zijn heel andere koaye; niet voor op de boterham.

Koes: varken. Kinderwoordje.

Koetelen: ruilen. Knikkers bijvoorbeeld, die werden veel gekoeteld.

Kök: limonadegazeuse. Exota limonadegazeuse was de officiële naam. Zo’n vies, zoet, geel suikerwater in een fles met een beugelsluiting. Er zat veel koolzuur in en daarom moest je er erg van köken.

Köken: boeren.

Krangs um: verkeerd om. Daar begon het mee, zie mijn eerste bericht.

Nog 162 woorden te gaan tot Zwelf. Plus wat ik in de tussentijd nog vind.

maandag 22 september 2008

Lottumse woorden: 91 - 100

91 Kleine kant kleuterschool, groep 1
92 Kleu~ch / kluchtig lol / lollig
93 Klieëd/kledje jurk/jurkje
94 Kluntjeswek suikerbrood
95 Knam helemaal
96 Knapkook koekje
97 Kneien kneden
98 Knoajen mopperen, zanikken
99 Knoep groot ding
100 Knoeren hard werken?


Kleine kant: groep 1; de bewaarschoeël van juffrouw Mien van den Boeënekamp, daar hebben we het al eens eerder over gehad.

Kleu~ch: lol, plezier. Kluchtig: leuk, lollig. Dat probeer ik hier soms te zijn, maar dat valt niet altijd mee.

Klieëd: jurk. In NL leggen ze een kleed op de grond (vloerkleed, tapijt), maar in Lottum is een klieëd een jurk en wordt gedragen door de dames. Of door kleine meisjes en dan is het een kledje.

Kluntjeswek: suikerbrood. Wit brood met half gesmolten, plakkerige brokjes suiker er in. Heel smerig.

Knam: helemaal. Dèn boeëm hingt knam vol proe~me.

Knapkook: dunne, platte koek, van ongeveer 10 cm doorsnee schat ik. Ik weet niet of ze nog bestaan, maar in de 50-er, 60-er jaren waren het de populairste koeken voor bij de koffie. Ik heb er duizenden gemaakt in de bakkerij van Sef Keltjens. En ingepakt. En bezorgd.

Kneien: kneden.

Knoajen: mopperen, greken.

Knoep: groot ding. Dé Wiel dén hé~t zich doa enne knoep vaan ’n hoe~s gebouwd. Overtreffende trap in het Blericks: knoeppert.

Knoeren: ik weet het niet zeker maar voor mijn gevoel heeft het te maken met hard werken of hard fietsen.

Dat was nummer honderd en om dat te vieren zal ik eens over een bizarre taalervaring vertellen. Het was juni 1976, in Bardera, Somalië. Met Nederlandse ontwikkelingshulp zou daar een brug over de Juba River gebouwd worden en een collega en ik moesten wat metingen en onderzoek doen, o.a. een paar boringen voor de fundering van de brug. Daarvoor hadden we een Italiaans bedrijf ingehuurd en we vonden ze ergens midden in de wildernis: wij in een landrover met een chauffeur en een tolk en drie Italianen in een vrachtauto met de bak vol Somaliërs. Italianen zijn wereldkampioen praters en ze babbelden volop, maar ... alleen in het Italiaans. En wij spraken Nederlands, Frans, Duits, Engels maar geen Italiaans. We hadden wel tolken: wij een die Engels sprak en zij een die Italiaans kon.
Dus: wij spraken Engels tegen onze tolk, die in het Somalisch tegen de andere tolk en die maakte er weer Italiaans van. En vice versa. En dan maar hopen dat er aan de andere kant hetzelfde uitkwam.

Vijf Europeanen, maar we konden niet communiceren zonder de hulp van twee Afrikanen. De Somaliërs snapten er niks van dat die witten elkaar niet konden verstaan.

Ik heb in de weken daarna genoeg Italiaans opgepikt om met ze te kunnen werken en de brug is er gekomen. Ik heb het net nog even gecheckt op Google Earth: hij is er nog.

zaterdag 20 september 2008

Lottumse woorden: 81 - 90

81 Jöken wiebelen, wippen
82 Kanedassen populieren
83 Kappes kool
84 Kel man
85 Kelderverken pissebed
86 Kerboe~t balkenbrij
87 Kieps pet
88 Kietelstieën ronde steen
89 Klats / kletske grote / kleine hoeveelheid
90 Klef talud, helling

Jöken: wiebelen. Zit ’s neet zoeë te jöken met dè stool, doa get ie kapot vaan.

Kanedassen: populieren.

Kappes: kool. Maar tegen de tijd dat hij klein gesneden en gekookt op je bord ligt dan is het mós geworden.

Kel: man. Ik denk dat het van “kerel” komt. “Neet böke, ziet ’s enne groeëte kel” zeiden ze als ik me gestoten, geschaafd, gesneden had.

Kelderverken: pissebed. Geen welkom diertje in huis, aan de namen te horen.
Ze horen bij de kreeftenfamilie en ademen door kiewen en kunnen daarom alleen leven in vochtige ruimten.

Kerboe~t: balkenbrij. Moet ergens vooraan zitten als je een varken opensnijdt, want na het slachten was dat het eerste onderdeel wat je te eten kreeg.

Ik kan me nog vaag herinneren hoe tante An en Maassen Leen samen kerboe~t maakten: een kuip vol fijngemalen bloederige troep, flink roeren met een houten spaan, een paar zakken boekweit er bij om het in te dikken en dan met een grote lepel in bakjes scheppen om af te koelen.

Als kind vond ik het lekker op de boterham: in plakken gesneden, gebakken in de pan met wat schijfjes appel erbij en kroe~t er op. Maar nu? Ik kreeg een keer een stuk cadeau en kreeg er bij te horen welke delicatessen er allemaal in zaten: pens, darmen, longen, hersenen. De hond heeft een paar dagen lekker gesmuld.

“’t Lekkerste ván ’t verke” was bij ons thuis een standaard uitdrukking. “Dát spek lus ik neet - bàh, die spruutjes zien fie~s – den bloemkoeël is nì lekker”, het antwoord was altijd: “Opète, dat is ’t lekkerste ván ’t verke”.

Kieps: pet. Zo’n platte met een klep aan de voorkant.

Kietelstieën: een ronde steen waar je iemand mee op zijn rug kietelde.

Klats: ’n hoeveelheid vloeistof. Ik kreeg ’n klats water óvver mien bóks. Maar ik weet niet zeker of ’n klats altijd vloeibaar is. Kun je ook een klats geld hebben?

Kletske: ‘n kleine klats. Wilde nog ’n tas? D’r zit nog ’n kletske in de kan.

Klef: talud, helling. De klef beej Muijsers: daar lag het Houthuizer veld een paar meter hoger dan de weg en daar kon je met de snel (autoped) of fiets vanaf. Als je durfde.

dinsdag 16 september 2008

Lottumse woorden: 71 - 80

71 Ho~of groentetuin
72 Hudsel halster
73 Huiwagen spin
74 Huukskes hurken
75 Huuske WC
76 Illik bunzing
77 Inkkater eekhoorn
78 Inkketske eekhoorntje
79 Joeks lol
80 Joerts mus

Ho~of: tuin; maar dan wel een groentetuin, geen siertuin. Ho~ofpaadsoep noemde oom Harry Jonkers de groentesoep van mijn tante An Nijssen omdat hij dacht dat ze daarvoor alleen maar even snel d’n ho-ofpaad op en neer had gerend en hier en daar een blaadje had geplukt.

Hudsel: halster

Huiwagen: die slome spin met zo’n heel lange poten.

Huukskes: hurken.

Huuske: WC. Oorspronkelijk een hokje buiten het huis, meestal boven de zeikkelder. Je zat op een plank met een rond gat waardoor de chocola omlaag de kelder in plonste. Aan de muur hing een touwtje met daar overheen reepjes krantepier. Dat veegde niet lekker moet ik zeggen.

“Ik goj nog ’s op ’t huuske doeëd”, zei de oma in Tienray van mijn vriend Ben van Rijswick altijd als ze na een half uur kuumen uitgeput van het huuske kwam.

De meeste huizen in het dorp hadden normale WC’s, maar voor veel mensen bleef dat toch 't huuske.

Illik: bunzing. Ik heb er nog nooit aan geroken, maar die schijnen erg te stinken.

Inkkater / inkketske: eekhoorn / eekhoorntje.

Joeks: lol; maar ik denk eigenlijk dat dat een Venloos woord is.

Joerts: mus. De meest voorkomende vogel vroeger, maar ik geloof dat de jeugd (mensen van onder de vijftig bedoel ik) dat woord niet meer kent.

zondag 14 september 2008

Lottumse woorden: 61 - 70

61 Greken sjachrijnen, zanikken
62 Groeëte kant groep 263 Gröts trots64 Gruts ?65 Hemdrok onderhemd met korte mouwtjes
66 Hemelbieësje onzelieveheersbeestje67 Hieëp hakbijl68 Hoarepluk
69 Hojje dag70 Hómmelen onweren, donderen

Greken: sjachrijnen, klagen, zanikken. Dèn Hay dat is ‘nen echte greker = die heeft altijd wat te zanikken.

Groeëte kant: de tweede klas van de kleuterschool, tegenwoordig groep 2. Daar hebben we het al eens over gehad.

Gröts: trots. In NL heeft het soms een negatieve betekenis: "verwaand", maar in het Lottums niet.

Gruts: weet ik eigenlijk niet precies, maar bij dat woord moet ik denken aan zo’n goot op de stal achter de koeien langs waardoor de gier en de prut naar de zeikkelder stroomt.

Maar misschien vergis ik me ook wel en is het zo’n zilveren tang om bonbons mee van een porceleinen schaaltje te pakken.

Hemdrok: een soort T-shirt voordat de T-shirts waren uitgevonden. Droegen we in de koude tijden van het jaar over het onderhemd heen. En daar zat dan een medaille opgespeld; heette dat niet een scapulier? Wat waren we toch heilige boontjes vroeger.

Hemelbieësje: Onzelieveheersbeestje. Zo’n rood kevertje met zwarte stippen. Mijn jongste dochter is panisch voor alles wat kruipt en krabbelt, maar OLH beestjes zijn lief. Die moeten een goede public relations manager hebben.

Vanmorgen zei ze nog tegen me: ik ben bang voor kleine vieze beestjes, voor dokters en voor apen.

Hieëp: hakbijl om schansen mee kort te maken en kippen de kop mee af te slaan. Jeu Lenssen had daar vroeger geen hieëp voor nodig, hij zette zo’n kip tussen zijn benen en trok de kop er zo af. Mijn tante An sloeg een kip eerst met een stok verduusseld voor ze de kop er af hakte.

Hoarepluk: Lottumse folklore bij bruiloften, hebben we het al eens over gehad.

Hojje: dag, afscheidsgroet. Meestal in combinatie met wah: hojje wah.

Hómmelen: onweren. Was ik als klein kind erg bang voor. Bang gemaakt eigenlijk, want als het hómmelde dan moesten we allemaal op de knieën en dan werd de rozenkrans gebeden tot het gevaar geweken was. Bij een harde knal voelde ik soms de bliksem al aan mijn achterwerk schroeien.

Ik was een jaar of drie, alleen in huis met tante Lies, toen het flink begon te onweren. “Ziet maar neet schoow”, zei ze tegen me. Ik keek haar eens goed aan en zei “ik geluëf, geej ziet zelf schoow”. Dat heeft ze me later nog vaak verteld.

Wat hadden ze vroeger gemoeten zonder rozenkrans? Als we met de auto ergens heen gingen en het was verder dan naar de bakker, dan werden er als extra ongevallenverzekering ook altijd eerst een paar rozenkransen gebeden. De verlichting brak op sommige plaatsen pas laat door.

Lottumse woorden: 51 - 60

51 Boam bodem, achterwerk52 Gèle verf geelzucht
53 Gelint omheining van een wei55 Gerf bos graan
56 Gevrè~t gezicht
57 Gewè~re begaan58 Geyen wieden59 Graaf sloot60 Grei spul

Boam is me later pas ingevallen; moest eigenlijk al bij het eerste lijstje staan, op nummer 9. Boam of vlaaiboam. Die kon je vroeger kopen bij de bakker (misschien nog wel) en dan kon je er zelf kersen of miemere of ertsbè~re op doen.

Kinderen hebben ook een boam, maar die is niet voor kersen of miemere, maar om op te zitten. Of om klappen op te krijgen als ze vervelend zijn.

Boam komt van het NL bodem denk ik, maar daar hebben we ook nog “bojjum” voor. Een emmer heeft een bojjum. En de Maas ook.

Gèle verf: geelzucht, hepatitis. Heb ik als kind van een jaar of tien eens gehad. Misschien aangestoken door Henk Martens, want die had het ‘t eerste op school. Gele huid, gele ogen, niet al te ziek, lekker een week of drie niet naar school.

’t Gelint is de pin-droad om een wei heen.

Gerf: vroeger werd het koren (rogge, gerst, haver) met een maaibalk gemaaid en lag dan los op de grond. Dat werd dan met de hand, met wat spieren stro, in bossen gebonden, gerven, en met acht tegelijk rechtop tegen elkaar gezet om te drogen. Kan 't zijn dat die “ruiters” heetten, acht gerven bij elkaar?

Gevrè~t: gezicht. Maar als je een meisje wilt versieren kun je beter niet zeggen dat ze een knap gevrè~t heeft, want dan wordt het waarschijnlijk niks. ’n Gevrè~t heeft iemand waar je bieëstig giftig op bent en waar je hem dan het liefste op zou slaan.
In Duitsland zeggen ze "Fresse".

Gewè~re: begaan. Loat um maar gewè~re: laat hem maar met rust, laat hem doen wat hij wil.

Geyen: wieden. Met de hand drek (onkruid) uittrekken. Ik ben eens getrouwd geweest met iemand die heel precies de opkomende Afrikaantjes en Sneeuwklokjes uittrok rondom de schietmè~l heen, maar dat noem ik geen geyen. Kwam uit een stad natuurlijk.

Graaf: sloot. Er moet in Lottum ergens een gekkengraaf zijn, maar ik ben vergeten waar.

Grei: spul. Woei hèt dat grei ok alwir? Wat is dat vur fie~s grei.

zondag 7 september 2008

De höltere iezerkes

Hoog tijd om eens wat te schrijven over twee hoofdpersonen in mijn jeugdjaren in Lottum: Sraar Nijssen, oeëme Sraar, en Mie Deckers, tante Mie (foto).

Negen kinderen hadden opa en oma Nijssen, een hele zwerm dochters en één zoon. Ze hielden van degelijke ouderwetse namen: Mie, Nes, Gretha, An, Grada, Trui, Nel, Lies en Sraar.

Sraar was de jongste en hij zal rond de 20 zijn geweest toen zijn vader, Sjaak Nijssen, in 1941 overleed en hij er alleen voor kwam te staan op de boerderij. "Alleen" is niet het goede woord want er waren nog wat ongetrouwde zussen die meewerkten plus een serie bediendes en knechts.

Ik heb al eens geschreven dat ik op die boerderij geboren ben en het is daarna altijd een middelpunt in mijn leven gebleven met oeëme Sraar in de hoofdrol. Als het maar even kon was ik daar, ‘s woensdags en ‘s zaterdags na school en ‘s zondags de hele dag. Hij was mijn peetoom en een aardigere, leukere oom als oeëme Sraar kan ik me niet voorstellen. Vol humor, altijd opgewekt, altijd vol grappen.

Ik zal drie - vier jaar zijn geweest toen ik een snel (autoped) kreeg en op dat ding stepte ik van de Horsterdijk alleen naar Houthuizen toe. Elke zondag deden we hetzelfde spelletje: als hij uit de hoogmis thuis kwam dan vroeg hij aan de tantes: “Is Paul nì gekómme vandaag?” “Nae”, zeiden die dan “we hebben um vandaag neet gezeen”. Dan ging hij aan de tafel zitten, waar ik me onder verstopt had en dan trok ik hem flink aan zijn been. En dan rende ik er vandoor en hij achter me aan om me te vangen.

Ik zal ook een jaar of vier zijn geweest toe we een keer samen naar de biggenmarkt in Horst zijn geweest. ’s Morgens heel vroeg, met paard en wagen en een grote kist vol biggen stap voor stap achter de dikke kont van het paard aan over het Wietveld naar Horst toe. En toen de handel verkocht was het café in voor een borrel en een glaasje sinas.

Het zware werk op de boerderij werd nog met een paard gedaan in de 50-er jaren, zo’n zwaar Belgisch trekpaard. Pas toen ik een jaar of tien was, denk ik, kocht hij een tractor, een tweedehandse grijze Fordson. De dikke Belg werd van de hand gedaan en ingeruild voor een slank luxe paardje: Pedro.

Wie waren er nog meer op de boerderij? Mijn tantes An en Lies en de knecht Jeu Lenssen, later opgevolgd door Joop. Fokkie, de hond, een pauwhaan en een -hen, een stuk of zes melkkoeien, wat mökken, twee stallen vol varkens en een paar hokken vol kippen.

Ik snelde of fietste altijd naar oeëme Sraar als ik niet naar school hoefde en hielp met alles mee; ik weet niet of het echt helpen was toen ik nog klein was, maar ik was er wel altijd bij: ploegen, cultivateren, eggen, maaien, dorsen, melken, voeren, mesten en wat er allemaal nog meer gebeuren moet om zo’n gemengd boerenbedrijf draaiend te houden. Hard werken altijd, maar er werd veel bij gelachen.

Op 1 april was ik een keer aan de beurt: “Paul, got is beej Driek ziene Sef de höltere iezerkes halen.” En ik op stap naar Muijsers: “Oeëme Sef, oeëme Sraar wil gèr de höltere iezerkes hebben.” “Oh”, zei die, "ik geluëf dat die beej Kessels zien, got doa maar ‘ns vroagen.” En ik op pad naar Kessels en daar kreeg ik pas door dat ik voor de gek werd gehouden.

Rond 1955, denk ik, trouwde oeëme Sraar met Mie Deckers die toen in Melderslo woonde. Getrouwd werd er in de kerk van Melderslo en daarna drie dagen lang feest in de schuur van Deckers; ik kan me vooral nog de teil vol flesjes sinas en cola herinneren waaruit we mochten pakken zoveel we wilden. Voor kinderen die misschien drie keer per jaar een flesje sinas kregen was dat zo ongeveer de hemel op aarde.

Tante An en tante Lies verdwenen uit Houthuizen; An ging de huishouding doen bij haar zus Gretha Jonkers aan de Markt en Lies werd wijkverpleegster in Blerick.
Maar de bevolking op de boerderij werd weer snel aangevuld: in een snel tempo verschenen achtereenvolgens mijn neven en nichten Jac, Gonnie, Mieke en Ankie. Drukke tijden moeten het zijn geweest voor tante Mie: de zorg voor vier kleine kinderen + de koeien + de kippen. Alleen, zonder hulp in de huishouding.

In 1961 kocht mijn pa zijn eerste auto: een tweedehands Renault Dauphine. De roeëie miemer noemde Sraar dat ding. Zelf zou hij graag een Dafje willen hebben, maar dat zat er nog niet aan.

In december 1961 vertrokken wij met de roeëie miemer naar Oosterhout. Anderhalf jaar later, in mei '63, kwam ik ’s middags uit school en als gewoonlijk liep ik naar de radio en zette keihard Veronica aan, maar mijn pa draaide hem meteen weer uit. Aan zijn gezicht kon ik zien dat er iets ergs gebeurd moest zijn: ome Sraar is dood!!! Verongelukt met de tractor.

De wereld stortte in. Dat was niet waar. Dat kon niet waar zijn. Dat mocht niet waar zijn. Een boze droom was het, maar hij ging maar niet weg. Elke ochtend als ik opstond drong het weer tot me door: hij is er niet meer.

Voor mij, 14 jaar toen, was het het ergste wat me ooit overkomen was, maar ik kan niet eens beginnen met me voor te stellen wat voor een ramp het was voor tante Mie. 33 Jaar oud, in één klap weduwe, alleen met de zorg voor vier kleine kinderen en een boerenbedrijf. Wat een verdriet en wat een zorgen!
Met de boerderij heeft ze hulp gehad, vooral van Martens Sjaak, maar met haar gezin stond ze er alleen voor. Ik weet niet hoe ze het gedaan heeft, hoe ze elke dag weer de moed opgebracht heeft, maar ze heeft zich er doorheen geslagen en alleen vier kinderen groot gebracht. Met in elk geval naar de buitenwereld toe altijd een opgewekt gezicht en zonder ooit te klagen. Ik neem daar mijn petje diep voor af.

Een paar jaar later kon ze het Dafje kopen dat Sraar zo graag gehad zou hebben.

Mijn voorbeelden, mijn role models zeggen ze tegenwoordig: ome Sraar en tante Mie.

---------------------------------------------------------------
PS: Hier moet ik ook nog even het verhaal kwijt over de vloek van de pauw. De pauwhaan van Nijssen ging dood in de strenge winter van ‘62/’63. De grond was te hard bevroren om hem te begraven en daarom bleef hij boven de grond liggen.

In die tijd klopte er een zigeuner aan om te bedelen en toen die de pauw zag liggen waarschuwde hij: raak nooit een dode pauw aan, want dan ga je zelf ook dood.

Wie gelooft er nou zo’n onzin? Ome Sraar in elk geval niet, en toen de winter wat lang duurde groef hij samen met Bastens Funs een gat in de koeienstal en stopte daar de pauw in. Gat weer dicht, klaar is kees.

Maar let op: binnen drie maanden waren ze allebei dood!!! Bastens Funs kreeg een hartaanval bij het schoffelen op het land en ome Sraar verongelukte met zijn tractor.

Ik ben niet bijgelovig. Ik trek me niks aan van vrijdag de 13de of zwarte katten die de weg oversteken en ik loop rustig onder ladders door, maar een dode pauw zal ik toch niet gauw aanraken.

Lottumse provo's


Midden 60-er jaren kwam in heel West Europa de jeugd in opstand tegen het autoritaire gezag en de kleinburgerlijke, benepen maatschappij. De provo's hielden elk weekend happenings op het Spui in Amsterdam en schilderden dan het standbeeld van het Lieverdje wit.
In Amsterdam, daar gebeurde het allemaal. En in Lottum gebeurde niks. Dat moest maar eens veranderen, vonden wij, en daarom stapten wij op een zaterdagnacht ergens in 1965 met een grote pot witte verf de auto in om ook eens mee actie te voeren.
Wij, de Lottumse provo’s, dat waren (als ik het me goed herinner) Henk Martens, Leo en Jèn Vergeldt, Jan Clevers, Jèr Custers, een dienstkameraad van Jèr uit Meerlo waarvan ik de naam niet meer weet, Noud Verstraaten en ik.

In Lottum viel niets te schilderen, maar in Grubbenvorst stond op het plein een monument, dus daar eerst maar eens naar toe. Een paar streken met de kwast en klaar was kees. Dat ging snel. Maar de verf was nog lang niet op. En wij nog lang niet uitgeprotesteerd. Wat valt er nog meer te schilderen?
In Sevenum stond ook wat, wist iemand, dus hup de auto in en naar Sevenum. Het beeld daar bestond uit een oude vliegtuigpropeller met krom gebogen vleugels en na een paar streken met de kwast was ook Sevenum veroverd.

Nu hadden we echt de smaak te pakken, waar is het volgende monument? We wisten er geen meer. We reden op goed geluk van dorp naar dorp maar vonden niets. Tenslotte kwamen we in Panningen terecht, maar toen we ook daar geen standbeeld vonden om revolutionaire actie op te voeren, leefden we ons maar uit op een Panningse straat en schilderden die vol met vredestekens. Op een witte muur stond ergens met grote zwarte letters “Schoenen Janssen” maar met een paar artistieke verfstreken veranderde Leo Vergeldt dat in “Schenen Jassen”. Geen erg revolutionaire tekst, dat geef ik toe.

En toen was de lol er wel af, het was al een uur of vier en we reden terug naar huis. De revolutie was voorbij voor die dag.

Ik weet niet wat we verwachtten, maar niemand van ons had gerekend op het schandaal dat de volgende ochtend ontstond en de grote koppen in de maandagkranten; zelfs de Volkskrant berichtte er over op de voorpagina. De beelden die we in Grubbenvorst en Sevenum gewit hadden waren namelijk monumenten ter nagedachtenis aan de oorlogsslachtoffers en veel mensen waren diep gekwetst door onze actie.

Ja sorry; dat wisten wij ook niet. Dat was niet de bedoeling. Als we er nou allemaal maar stil over zouden zijn dan zou er niemand achterkomen dat wij het geweest waren.
De politie stond inderdaad voor een raadsel en had waarschijnlijk de daders nooit gevonden als er niet geklikt was. Maar er werd wel gepraat en zo kwam het verhaal van Custers bij In ’t Zand terecht, van In ’t Zand bij Seroo in Grubbenvorst en zo bij de politie. De sterke arm van justitie kwam in actie en we werden allemaal opgepakt door politieagent Valckx.

Allemaal, behalve ik; mij konden ze nog even niet te pakken krijgen want ik zat in die tijd ver weg in Boskoop op school. In het weekend was ik er wel, bij Jonkers aan de Markt, en op een zondag stonden daar twee grote agenten voor de deur. De arrestatie mislukte echter doordat ik via de achtertuin ontsnapte en de bus naar Venlo nam en vandaar de trein naar Boskoop.

Maar geen nood, Valckx kende mijn pa nog en die werd tijdelijk tot hulp-sheriff benoemd met de opdracht me op te sporen en in Grubbenvorst af te leveren.
Op een dinsdagmorgen kwam hij me in Boskoop oppikken en vandaar reden we rechtstreeks naar Grubbenvorst. Pa was weer eens niet erg te spreken over zijn oudste zoon. Gloeiend was hij, de hele rit van minstens drie uur heeft hij geen woord gesproken.

En daar zat ik dan bij Valckx in de huiskamer. Hij had van de andere zeven al precies gehoord wat we gedaan hadden dus ontkennen had geen zin.

Het recht nam zijn loop, we moesten voorkomen in Roermond en werden elk veroordeeld tot een boete van een paar honderd gulden. En dat was het einde van de Lottumse provo-beweging.

Met één grote vraag ben ik sindsdien blijven zitten. We waren met z’n achten; we zijn alle acht aangehouden en ondervraagd, maar het Nederlandse justitiële apparaat besloot om er maar vier te vervolgen, en wel de vier jongsten: Henk Martens, de twee jongens van Vergeldt en mij.
Dat ik erbij was, was op zich wel terecht want het was mijn idee geweest, maar dat wist de politie niet. Ik vond het ook prima dat die andere vier aan justitie ontsnapten maar begrijpen deed ik het niet. Wat was de logica? Waarom niet alle acht? Of als je vier genoeg vindt, waarom dan niet de vier oudsten?
Maar goed, die justitiële dwaling kwam ons wel goed uit, want de andere vier betaalden netjes mee en zo werd de financiële schade gehalveerd.

Van de door ons betaalde boete werden de schoonmaakkosten aan de gemeenten vergoed. De daders zaten nog op school en hadden zelf geen geld en het waren dus de ouders die de portemonnee moesten trekken. En zo werd die arme vader Martens dubbel slachtoffer van onze protestactie, want als kantonnier bij de gemeente Grubbenvorst had hij dat monument schoon moeten maken en nu moest hij daar zelf nog voor betalen ook!

Het leven kan onrechtvaardig zijn.


PS: op 31 januari 2014 kreeg ik van Hans Loonen dit krantenartikeltje:




zaterdag 6 september 2008

Lottumse woorden: 42 - 50

42 Flie~s tas
43 Foe~telen vals spelen
44 Friemelen prutsen
45 Fus vat
46 Gaaien bevallen
47 Gaar neet helemaal niet
48 Gans helemaal
49 Garepaap halve gare
50 Gavel hooivork

Henk van Schampieters Sir alias Henk van de Veiling, ook bekend als Henk Hendrix heeft me een tip gegeven hoe je Limburgs schrijft: http://li.wikipedia.org/wiki/Wikipedia:Sjpellingssjpiekpagina

Ik zal het eens gaan proberen. Er staat niet in hoe je een klank wat langer moet laten doorklinken, zoals in flie~s en foe~telen. Maar toen ik nog wat doorzocht vond ik het Sjpellingbook “Spelling 2003 voor de Limburgse Dialecten” en daar staat in dat dat met een ~ kan. Een korte klank kun je aangeven met \, maar ze raden af om die tekens in een tekst te gebruiken omdat het wat moeilijk leest. Maar in de woordenlijst hou ik de ~ aan voor de duidelijkheid.

Flie~s: (boodschappen)tas. Is eigenlijk het NL woord “valies”, maar dat woord is verdwenen, wordt niet meer gebruikt. Ik weet niet of flie~s nog wel gebruikt wordt. Gaat er in Lottum nog iemand boodschappen doen met een flie~s?

"Die alde flie~s" heeft niets met boodschappen te maken. Zo werden, nogal oneerbiedig, sommige oudere dames genoemd.

Foe~telen: vals spelen, stiekem bij iemand in de kaarten kijken.

Friemelen: prutsen, bv om een draad in het oog van een naald te krijgen. Er werd vroeger, na het bal, door de jeugd in donkere hoeken achter heggen en muren ook heel wat afgefriemeld, maar daar zal ik het hier maar niet over hebben.

Fus: vat, bv een vat bier (maar misschien is dat geen Lottums, maar Venloos)

Gaaien: bevallen: “dát gaait meej niks” = "dat bevalt me niets", of "dat vertrouw ik niet".

Bevallen in de betekenis van "een kind ter wereld brengen" is weer heel wat anders. Dat kan behoorlijk verwarrend zijn. In de 60-er jaren hoorde ik in Boskoop eens iemand zeggen: " 't Is een rare wereld tegenwoordig: als de meid bevalt dan moet ze weg, en als ze niet bevalt dan moet ze ook weg."

Gaar neet: als het woord “gaar” alleen staat is het hetzelfde als “gaar” in NL: “Netje, kiek 's of de petatte al gaar zien”.
Met “neet” erbij wordt het het Duitse woord “gar”. “Gaar neet” betekent dus “helemaal niet”.

Gans: heeft dezelfde betekenis als het Duitse woord “ganz” = “helemaal”.
In de uitdrukking “ganz und gar” hebben we ze allebei bij elkaar. En dat rijmt ook nog.

Garepaap: halve gare. Vreemd: in Lottum vinden we iemand gaar, als hij een beetje abnormaal doet. In Holland vinden ze hem dan pas half gaar. Hoe zouden ze daar iemand noemen tegen de tijd dat hij helemaal door en door gaar geworden is? Minister President?

Gavel: hooivork, een soort riek, maar dan met maar twee tanden, om hooi of stro mee op te pakken. Komt van het Duitse woord gabel = vork.

vrijdag 5 september 2008

Stinkers

Het moet vroeger hier en daar behoorlijk gestonken hebben in Lottum want wassers waren we niet in de vijftiger jaren. Badkamers bestonden niet. Bij ons in huis was boven wel ergens een klein donker kamertje dat we "de does" noemden, maar gedoucht werd daar niet; daar stonden alleen wat dozen en kisten met oude troep.

Geen waterleiding, geen kraan in huis, geen WC met spoeling, het enige water kwam uit de pomp in de keuken. En door de week wasten we ons daar 's morgens aan het aanrecht de handen en het gezicht. Een klein beetje maar, niet te nat, want dat water was koud. Tanden poetsen? Volgens mij gebeurde dat alleen 's zondags.

En één keer in de week, op zaterdagmiddag, in bad, in een zinken teil in de bijkeuken. Twee aan twee in hetzelfde water. Haren wassen met shampoo gebeurde maar eens in de twee weken. Schoon ondergoed kregen we elke week, dat nog wel.
Ik zal hier niet in details treden, maar iedereen kan zich voorstellen hoe de onderbroek van een 10-jarige jongen er na een week uitzag. En rook.

Geen kliko's en vuilniswagens vroeger, afval werd met paard en wagen opgehaald door Janssen Jan (Henneskens Jan) uit Houthuizen en gestort in het Schansengat aan de Houthuizer weg of in de Bergse Koel aan de Broekhuizer weg.

Riolering kwam pas eind 50-er jaren. Voor die tijd verdween de soep in een gierput die af en toe leeggepompt werd door Janssen Jan.

Er is veel veranderd in vijftig jaar. Lottum was een simpel boerendorpje toen ik klein was. Familie uit "Holland" die wel eens op bezoek kwam vond die dorpse sfeer prachtig: de boerderijen, de velden, de rozen en de Maas. Ik snapte niet wat de ooms en tantes daar mooi aan vonden en schaamde me voor de mesthopen, de kippenhokken, de schuren en het onkruid langs de straten.
Het enige moderne, het enige om trots op te zijn waren voor mij de machinefabriek Thilot en de conservenfabriek van Aarts Pie in Houthuizen.
In mijn fantasie zag ik een dorp met grote bedrijven, moderne huizen, mooie tuinen en schone trottoirs langs alle straten.

En kijk eens aan: een halve eeuw later is die fantasie werkelijkheid geworden want zo afgelikt als in mijn droom ziet Lottum er tegenwoordig in het echt uit.

Maar ja, je kunt het mensen niet gauw naar de zin maken, want nu zou ik het Lottum uit mijn jeugd nog wel eens willen zien met het klooster, het spuitenhuuske, de boerderij van Bartels, Bartelskoel, de smidse van Verheggen's Piet, de Coöperatie, café Keiren, Wilmsen Ties met zijn melkkar.

Tsja, het is nooit goed.